'WE PROBEREN DE MOED ERIN TE HOUDEN DOOR AF EN TOE WAT CRACKERS MET KAAS TE MAKEN'

Dagboek van projectcoördinator Akke Boere (2)

Bevolking het doelwit

Vanuit Boguila vertrek ik naar Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek, om vanuit daar weer naar Birao te reizen. Rechtstreeks is niet mogelijk, er zijn geen goede wegen (de wegen die er zijn, lijken meer op karrensporen), en het is te onveilig voor ons om door het gebied te rijden. Er zijn verschillende bewapende groeperingen die ons misschien niet kennen, en dat brengt teveel risico’s met zich mee. Daardoorheen rijden in onze Artsen zonder Grenzen-auto is geen goed idee. Dus maak ik een zigzagbeweging van noord naar zuid naar nog meer naar het noorden.

 

De reis per vliegtuigje van Bangui naar Birao duurt drie uur. Ik kijk omlaag en zie alleen een landingsbaan, een vervallen gebouwtje zonder dak en wat bomen. Even gaat het door me heen: waarom zijn er problemen hier? Het is een ruig gebied, hier is niks, waar vechten ze om? Het team wacht mij op en we rijden zo'n twaalf kilometer over een hobbelige weg naar Birao. Een dorpje in niemandsland, dit is letterlijk the middle of nowhere.

 

Ik heb diverse berichten gelezen over Birao: een dorp in de Vakaga-provincie, dicht bij de grens met Tsjaad en Sudan. Het gebied heeft te kampen met dezelfde problemen als Boguila en Markounda waar ik eerst zat: gevechten, bevolking die doelwit is, dorpen die afgebrand zijn en mensen die de bush in zijn gevlucht. Ooit moeten er zo'n zesduizend mensen in het dorp hebben gewoond, maar bij aanvallen in oktober zijn er veel mensen het omliggende gebied in gevlucht. Ze leven nog steeds onder de bomen, te bang om terug te komen. Artsen zonder Grenzen is de enige internationale hulporganisatie die in deze provincie werkt.

 

Ik heb in de afgelopen negen maanden in Boguila en Markounda gewerkt, meer naar het westen. En het eerste wat mij opvalt is dat de sfeer in Birao heel anders is. Op de markt is er veel meer te krijgen, door de handel met Sudan. Ik ben hiervoor ook in Tsjaad geweest, en daar doet de sfeer me aan denken: meer moskeeën, Arabische kleding, Afrikaanse hutjes naast grote stenen gebouwen. Fysiek ligt het meer afgelegen, maar op een of andere manier voelde het minder ver verwijderd.

 

Maar de mensen gaan door dezelfde angsten en kampen met dezelfde problematiek: geen werk, geen eten, in de bossen moeten vluchten omdat ze niet meer in de dorpen kunnen leven. Karline Kleijer draagt het project aan mij over. Zij is lid van het noodhulpteam en is er vanaf medio december: zij heeft de verkennende missie gedaan en alles opgezet. Haar vervanger kan pas later hier zijn, dus ik zal vijf weken de functie van projectcoördinator op mij nemen.

 

De volgende dag ga ik om zeven uur 's ochtends met Marga Riera Montes, onze Spaanse arts, op pad met een mobiele hulppost. We gaan naar Takamala, zo'n vijftig kilometer buiten Birao; door het aanhoudend geweld zijn er nauwelijks medische voorzieningen voor de mensen, dus wij gaan regelmatig op pad om te zorgen dat de bevolking medische hulp krijgen. Het gaat vooral om het bieden van basisgezondheidszorg: het behandelen van patiënten met malaria, diarree, worminfecties, ontstoken wonden of acute luchtwegontstekingen, en het inenten van kinderen en volwassenen tegen de meest voorkomende ziekten zoals mazelen.

 

De regel hier is dat er minimaal twee internationale medewerkers op stap gaan. Je weet nooit wat er gebeurt. Samen met de chauffeur en een Centraal-Afrikaanse verpleegkundige laden we de auto in. We nemen een grote doos met medicijnen en malariatesten mee, water, wat extra eten en spullen om te overnachten voor het geval je niet terugkan. Omdat het hier om zes uur 's avonds donker is, is het niet verstandig om dan nog op de weg te zijn. In de auto zit een HF-radio en ik neem de satelliettelefoon mee.

 

Die avond gaan Karline en ik verder met de overdracht. Om half tien ga ik naar bed, wat later voor mijn doen dan normaal. In Boguila was ik elke ochtend om vijf uur al in touw en werkte dan tot acht of negen uur en dan weer slapen. De volgende dag gaan we een rondje doen: Karline gaat me voorstellen aan alle lokale autoriteiten en mensen die ik moet kennen om mijn werk te doen.

 

Uren die heel raar voorbijgaan

Om tien voor zes word ik letterlijk uit mijn bed gedrild. Ik hoor een heel hard geluid, enorme dreunen. Waarschijnlijk zijn het Russische RPG's, Rocket Propelled Grenades. Het huis trilt ervan.

 

Ik verlaat meteen mijn kamer. In ieder project hebben we een ruimte die aangewezen wordt als schuilruimte, in ons geval is dat de voorraadkamer. Wij, de vijf internationale medewerkers, gaan er zo snel mogelijk zitten. We maken ons zorgen om de vijf Centraal-Afrikaanse medewerkers die wij hebben meegenomen vanuit de hoofdstad om hier te werken. Zij slapen in het huis naast die van ons. Gelukkig, om kwart over zeven zien zij kans om naar ons toe te komen. Eén van hen was in de kerk, maar wist gelukkig terug te komen naar ons terrein.

 

Met de satelliettelefoon houden we contact met Nicole Henze, onze landencoördinator die in het hoofdkantoor in Bangui zit. We hopen allemaal dat het zo over is, maar op een gegeven moment hebben we door dat dat niet zo snel zal gebeuren. We proberen de moed erin te houden door af en toe wat crackers met kaas te maken. Zorgen dat er water voor iedereen is. Met elkaar praten, wat heb jij gezien, wat is er gebeurd? Als het even stil is, roepen we snel onze twee bewakers die buiten nog in het hutje zitten, binnen.

 

Voor mijn gevoel zitten we er uren. We proberen onszelf af te leiden, maar we kunnen het ook niet laten te speculeren wat elk geluid is dat we horen. Ik hou het vertrouwen dat het goed af gaat lopen. We hebben goede relaties aan beide kanten van het conflict. Iedereen weet dat wij hier zitten. We weten, Nicole houdt continu contact met iedereen, herinnert iedereen dat Artsen zonder Grenzen daar een team heeft.

 

Ik heb wel vaker meegemaakt dat er geschoten wordt, maar dit is harder dan ik ooit heb gehoord. Iedereen is anders, iedereen bereikt op een ander moment het punt dat hij angstig wordt en bij iedereen zullen er andere dingen door het hoofd gaan. Maar gelukkig blijft iedereen rustig, we proberen het beste ervan te maken. Ook als we in een kamertje ernaast op een emmertje onze behoefte moeten doen. We houden onszelf bezig, maar de uren gaan raar aan ons voorbij.

 

Zo nu en dan is het even stil. Rond twee uur zien we iemand uit het dorp lopen, kijken of we er nog zitten, hoe het met ons gaat. Maar dan hervat het schieten zich weer. Pas laat in de middag blijft het echt lang rustig. De prefect die over de regio gaat, komt naar ons terrein. Of wij kunnen helpen met de gewonden. Nadat het twee uur stil is geweest, maken we die middag nog een rondje. Karline, arts Marga en een van de chauffeurs gaan op pad. Ze verplegen de gewonden die ze vinden, het gaat vooral om schotwonden. Zolang ze wegblijven, zijn we ongerust.

 

Het dorp is stil

's Ochtends maken we koffie, klaar voor de dag. Om kwart over zeven begint het helaas weer. Hetzelfde lawaai, dezelfde hevigheid. Als een gek rennen we met zijn allen weer naar binnen, terug naar de schuilruimte. Zo'n twintig man, personeel en andere mensen die wij kennen, die vlakbij ons huis zijn, rennen ook naar binnen. Ik voel me op een bepaalde manier verantwoordelijk, ze zoeken hun toevlucht bij ons, maar ik kan die verantwoordelijkheid niet op me nemen. Je weet nooit wat er gaat gebeuren. Van sommigen van hen waren hun leemhutten de dag ervoor al afgebrand, ze hadden hun spullen verloren en zaten zonder onderdak.

 

's Middags wordt het weer rustig. Het dorp is zo goed als leeg. Inmiddels is de  beslissing genomen dat we allemaal gaan evacueren zodra het kan. Het is de tweede dag van hevige gevechten, de mensen vertrekken uit het dorp, het dorp is stil. We zien veel mensen weglopen met spullen op hun hoofd: een paar potjes en pannetjes, misschien nog wat oude kleding. Maar er is ook veel geplunderd; we horen van mensen die voor ons werken dat al hun spullen zijn gestolen. Hun enige bezittingen bestaan uit de kleren die ze aanhebben.

 

Er is veel afgebrand. In Boguila had ik gezien hoe mensen in drie minuten hun tas klaar kunnen hebben en beginnen te rennen. Nu zie ik het in Birao weer. Heel indrukwekkend. Ik word er verdrietig van, ik heb er geen woorden voor. Ongelooflijk, onwerkelijk. Dat mensen met het kleine beetje dat ze hebben de bossen ingaan om daar maar te proberen hun leven veilig te stellen. Wij hebben die reflexen niet, als wij de bossen in gaan, weten wij niet hoe wij moeten overleven. Zij wel. Wij hebben nog de mogelijkheid weg te gaan, wij hebben auto's, voedselrantsoenen.

 

We komen écht terug

Tweeënhalve dag moeten we wachten tot we kunnen worden geëvacueerd. Het vliegveld is nog niet veilig. We weten dat Nicole, onze landencoördinator, alles doet om ons eruit te krijgen. Af en toe komen onze medewerkers uit het dorp langs om te praten en ze vertellen ons heftige verhalen. Hoe mensen gevlucht zijn, mensen die familie kwijt zijn omdat de ene de ene en de ander de andere kant op is gerend, hoe alles verbrand is, mensen die zijn bedreigd. Gewapende mannen in hun huis die hun geld wilden, hun spullen. Er vallen tranen.

 

Ook onze eigen medewerkers is van alles overkomen. Ik zie het verschil tussen hun houding voor de aanval en erna. Ze zijn echt in shock, hun ogen, hun hele houding is klein. De glimlachen die eerder elke dag ons deel waren, zijn weg. Ze waren zo blij dat ze een baan hadden, dat Artsen zonder Grenzen kwam. Nu zijn ze bang dat we weggaan. Eerder is een hulporganisatie vanwege de onveiligheid vertrokken. Maar we verzekeren hen: we gaan even weg, maar we komen écht terug.

 

Ik hang bordjes op voor de bevolking. Met daarop in het Frans dat we moeten evacueren, maar dat we proberen zo snel mogelijk terug te komen. We hebben nog wat plastic zeil over, nog wat zeep en dekens van een distributie aan de mensen die eerder de bush in zijn gevlucht. We zetten het in een ruimte en geven de sleutel aan de prefect, met de vraag of hij dat wil uitdelen aan mensen die het nodig hebben.

 

Het is niet geheel duidelijk hoe we gaan vertrekken. Eerst horen we dat we alleen tien kilo mee mogen nemen, dat wordt selectief pakken. Dan horen we dat er waarschijnlijk een groter vliegtuig komt, we mogen alles meenemen. Weer pakken. Uiteindelijk mogen we helemaal niets meenemen: een vliegtuigje dat een van onze andere teams in Tsjaad heeft gehuurd, komt ons ophalen. We zijn met zijn tienen, dus alleen wat we aanhebben kan mee. Ik prop mijn iPod, fototoestel en paspoort in de twee zakken van mijn Artsen zonder Grenzen hesje.

 

We sluiten alles af. We hebben iedereen verteld dat wij over de weg richting landingsbaan gaan. Met knipperende lichten gaan we op pad. Ik heb gemengde gevoelens: aan de ene kant ben ik opgelucht, aan de andere kant: we laten mensen in een afschuwelijke situatie achter. Maar wij kunnen op dat moment niets doen. We moeten aan onze eigen veiligheid denken, anders hebben de mensen niets aan ons.

 

Mensen omhelzen me

Na een vlucht van drie uur komen we aan in Bangui, het hoofdkantoor. We worden gedebriefd, wat zoveel inhoudt dat we aan landencoördinator Nicole vertellen wat er gebeurd is en wat we weten van de situatie van de mensen daar. Er is maar één vlucht per week in de Centraal-Afrikaanse Republiek, dus het zal nog een paar dagen duren voordat een psycholoog vanuit het hoofdkantoor in Amsterdam komt om ons nazorg te geven. Die eerste avond gaan we met het team van Bangui uit eten. Dan komen de verhalen en we kunnen zelfs een beetje lachen.

 

Karline's missie was sowieso afgelopen, dus mijn voorganger gaat terug naar huis. Mij werd gevraagd, wil ik nog terug? Ik zeg 'Ja'. Twee weken later stappen Marja Scholten, onze nieuwe verpleegkundige, en ik in het vliegtuig, samen met twee Centraal-Afrikaanse medewerkers. De andere zes gaan met de auto terug.

 

Als we landen, zijn de mensen zo opgelucht dat we terug zijn. Zelfs mensen die ik niet ken, omhelzen me: 'Gelukkig, er komen nog mensen om ons te helpen', lijken ze te denken. Het feit dat wij er zijn, geeft zoveel vertrouwen voor die mensen, vertrouwen dat het ooit zal goed komen. Hun opluchting geeft mij een idee van hoe angstig ze zijn, wat de situatie waar ze in zitten, met hen doet. Het voelt goed, we weten dat wij daar, als Artsen zonder Grenzen, een rol hebben. Het feit alleen al dat wij er zijn, is een belangrijk deel van onze hulp. Het geeft hen mentale steun.

 

Onze eerste prioriteit: verhuizen. De wijk waar wij zaten is doelwit, er staan allerlei officiële kantoren. Wij zijn er gaan zitten omdat het ziekenhuis daar stond, maar nu besluiten we dat het beter is om aan de andere kant van het dorp te gaan zitten. Bovendien staat de weg naar onze oude wijk vol met checkpoints, wat het te moeilijk en mentaal te zwaar maakt voor onze patiënten en personeel om daar te komen. We vinden een onafgemaakt gebouw: vier muren die rechtop staan.

 

Van de eigenaar, een handelaar, mogen we het gebruiken. We zetten er een dak op en maken het geschikt om als kliniek te gebruiken. Het pand staat op een groot terrein, dus we hebben ruimte voor uitbreiding. We startten onze zes mobiele hulpposten weer op. We halen materiaal en voorraden uit onze oude locatie, zetten een tafel en stoel neer. Ik hang een bordje 'geen wapens', een geweer met een groot rood kruis erover, en hang een Artsen zonder Grenzen-vlag op. We zijn weer open.

Hoewel de markt in Birao weer open is en scholen heropend zijn, is de situatie verre van normaal. Van de 350 leerlingen, zijn er nog maar rond de 70 die de weg naar school terug hebben gevonden. De aanval van maart dit jaar is de tweede in vijf maanden die de inwoners van Birao heeft getroffen. Het wordt geschat dat er in de provincie waar Birao de hoofdstad van is, de Vakaga-provincie, zo'n 15 duizend mensen zich verscholen houden in de bush, waar zij in zeer primitieve omstandigheden moeten overleven. De bevolking heeft geen of nauwelijks toegang tot gezondheidszorg. Artsen zonder Grenzen werkt, als enige internationale hulporganisatie, sinds medio december 2006 in de Vakaga-provincie in het uiterste noorden van de Centraal-Afrikaanse Republiek.