'ZE LEVEN IN DE BOSSEN ONDER DE BOMEN'

Dagboek van projectcoördinator Akke Boere uit CAR

© Akke BoereNaam: Akke Boere

Leeftijd: 32

Functie: Projectcoördinator

Projecten: Tsjaad, Bangladesh, Centraal-Afrikaanse Republiek

Studie: Culturele Antropologie/Ontwikkelingssociologie, specialisatie Bhutan

Ze leven in de bossen onder de bomen
'Dat het werk hier zo’n indruk op me zou maken had ik nooit verwacht. Sinds half juni vorig jaar werk ik in Boguila en Markounda, twee kleine dorpen in het noordwesten van de Centraal-Afrikaanse Republiek. Een land dat sinds de onafhankelijkheid van Frankrijk in 1960 wisselende leiders heeft gehad en verre van rustig is. De streek is gedeeltelijk in handen van de regering en van de rebellen. In Markounda werken we in een gezondheidspost, in Boguila in een regionaal ziekenhuis. Daarnaast gaan we met elf mobiele hulpposten het omliggend gebied in. Verschillende gewapende groeperingen strijden hier al tijden met elkaar en de afgelopen maanden moesten veel mensen hun dorp ontvluchten. Hun huizen zijn afgebrand en nu leven ze in de bossen onder de bomen.

 

De gezondheidszorg in het land is compleet ingestort en vanwege de situatie zijn er maar weinig hulporganisaties in de CAR. Wij werken er sinds november 2005, en in Boguila hebben wij in mei 2006 een compleet geplunderd ziekenhuis opgeknapt. Het was hard aanpoten, maar nu is er eindelijk weer een normaal functionerend ziekenhuis in de regio en mensen komen van heinde en verre naar ons toe: 60 kilometer lopen voor een doktersbezoek is hier vrij normaal. Maar feit is dat niet iedereen de weg meer op durft te gaan…

 

Er is niks over van alle 'luxe' van weleer. We hebben een emmersysteem voor water, olielampjes voor bij het eten en een gat in de grond is ons toilet. Wel staat er nog een enorme antenne bij een van de huizen. We maken vaak grapjes wat er vanavond op tv zal zijn.

 

Zwaaien naar geiten

Vanaf oktober zijn er regelmatig gevechten, veel dorpen zijn afgebrand. Uit veiligheidsoverwegingen moet ik de mobiele hulpposten tijdelijk stopzetten. Een paar dagen nadat er weer gevechten zijn geweest, gaan we zo'n 15 kilometer van Boguila kijken wat de situatie is en of het veilig genoeg is om weer erop uit te gaan. Ik ga, samen met een verpleegkundige en een logistieke medewerker, op pad. De weg is uitgestorven. In de verte zien we mensen gauw de bosjes in rennen. Pas als ze zien dat het een Artsen zonder Grenzen-auto is met vlag, komen ze voorzichtig tevoorschijn. We rijden langs dorpen en uit pure gewoonte zwaaien we. Zwaaien en lachen: de beste manier om contact met de bevolking te maken. Pas als we dichterbij komen, realiseren we ons dat we naar achtergebleven geiten zwaaien. De huizen zijn vers afgebrand en de dorpen zijn verlaten.

 

Later krijg ik de kans om de rebellenleider te spreken die over dit gebied 'gaat'. Ik ontmoet hem ergens in de bossen achter de lege dorpen. Het voelt surrealistisch. Hij heet me welkom en wil me vertellen waarom ze hun opstand hebben georganiseerd. Ik stuur het gesprek naar de medische problemen en leg uit wat Artsen zonder Grenzen doet. We praten over de problemen van de bevolking, waar zijn ze naartoe gevlucht, hoe wonen ze? Hebben ze toegang tot water? Zijn er onlangs mensen overleden? Durven ze naar ons toe te komen als we hier regelmatig zijn? Het lukt om informatie los te krijgen en het is geen probleem: we mogen ons van hem in het gebied begeven.

 

Bush walk

Een paar dagen later gaan we weer op pad. Terwijl het medisch team zijn werk doet, praat ik met wat mensen die op onze hulppost zijn afgekomen. Ze vertellen me dat ze geen gewonden hebben omdat ze ver genoeg van hun dorp waren. Ik doe een bush walk om zelf te zien hoe de mensen leven. Samen met een van onze lokale gezondheidswerkers loop ik een paar kilometer de velden in. Als ik bij hun schuilplaats aankom, kan ik alleen maar geschokt zijn. Er is niks. Ze slapen op een kleed onder de bomen. Er staan een paar potten en pannen, eentje gevuld met bruin water uit de rivier. De pompen in het dorp zijn nu te ver en ze blijven liever ver van de weg. Ze hebben enkele stukjes zeil, maar het is niet genoeg voor de drie families die daar zitten.

 

In de mobiele hulppost zien we ondertussen veel kinderen en vrouwen. Malaria is de grootste boosdoener maar ik zie ook heel wat zweren waar vocht uitkomt. Ik, als niet-medicus, heb veel bewondering voor het team dat keihard werkt om 150 mensen op één dag te kunnen onderzoeken, te luisteren naar hun klachten en hun behandeling te regelen. Om een uur of vier pakken we de auto weer in; we nemen een patiënt met ons mee voor verder onderzoek en opname in het ziekenhuis. We vermoeden dat hij tuberculose heeft. Een familielid van de man gaat met ons mee en met zijn allen rijden we terug.

 

Onderweg komen we enkele gewapende mannen tegen. Zoiets schudt je altijd weer even wakker: dit is de realiteit waarin we werken. Maar zoals altijd worden we vriendelijk gegroet. Gelukkig accepteren beide kanten op het moment onze aanwezigheid. Ik hoop dat het zo blijft!

 

Veiligste plek

Dat Artsen zonder Grenzen ook voor een zeker gevoel van veiligheid zorgt, blijkt als er een keer schoten worden gelost in Boguila. Binnen de kortste keren is het aantal mensen in het ziekenhuis verdubbeld. Ik zie zeker honderd extra mensen, overal staan tassen. De kinderen van ons personeel zitten in een hoekje van een kantoortje. Het voelt overweldigend. Al die mensen zoeken veiligheid en denken dat bij ons te vinden. Kan ik ze dat bieden? Het ziet er allemaal wat chaotisch uit, en als er in de verte weer schoten klinken, duikt iedereen de kamers in. Ik voel me een beetje uit het veld geslagen: al die mensen, de zoveelste keer dat ze moeten vluchten.

 

Als het na een uur weer rustig is, gaan de mensen terug naar huis en gaan wij weer gewoon aan het werk. Maar het blijft in mijn gedachten en ik denk er nog lang over na. Al die mensen die daar zaten, wachtend en hopend dat er verder niks zou gebeuren.

 

Na negen maanden hier is mijn vervanger aangekomen. Het is tijd om mijn taken over te dragen. Ik heb ook een lange lijst met wat er nog geregeld moet worden. We zijn net begonnen met de behandeling van tuberculosepatiënten, het testen op hiv en de behandeling van aidspatiënten ligt ook in de planning. Eigenlijk zou ik eind februari terug naar Nederland gaan, maar er is nog een interim-post vrij in het noordoosten van de CAR. Een project dat Artsen zonder Grenzen net geopend heeft en ik kan het niet laten… ik blijf een maand langer en vertrek volgende week naar Birao. Een zelfde soort gebied met dezelfde problemen.

 

Een berichtje naar huis dat ik toch pas in april terug kom. Nou ja, ze zijn het inmiddels gewend. Dat maandje maakt ook niet meer uit en ik zal alleen nog maar meer te vertellen hebben.

Lees deel 2 van het dagboek van Akke Boere