Naam: Akke Boere
Functie:
Projectcoördinator
Projecten: Tsjaad,
Bangladesh, Centraal-Afrikaanse Republiek
Studie: Culturele
Antropologie/Ontwikkelingssociologie, specialisatie Bhutan
Ze leven in de bossen onder de
bomen
'Dat het werk hier zo’n indruk op me zou
maken had ik nooit verwacht. Sinds half juni vorig jaar werk ik in
Boguila en Markounda, twee kleine dorpen in het noordwesten van de
Centraal-Afrikaanse Republiek. Een land dat sinds de
onafhankelijkheid van Frankrijk in 1960 wisselende leiders heeft
gehad en verre van rustig is. De streek is gedeeltelijk in handen
van de regering en van de rebellen. In Markounda werken we in een
gezondheidspost, in Boguila in een regionaal ziekenhuis. Daarnaast
gaan we met elf mobiele hulpposten het omliggend gebied in.
Verschillende gewapende groeperingen strijden hier al tijden met
elkaar en de afgelopen maanden moesten veel mensen hun dorp
ontvluchten. Hun huizen zijn afgebrand en nu leven ze in de bossen
onder de bomen.
De gezondheidszorg in het land is compleet
ingestort en vanwege de situatie zijn er maar weinig
hulporganisaties in de CAR. Wij werken er sinds november 2005, en
in Boguila hebben wij in mei 2006 een compleet geplunderd
ziekenhuis opgeknapt. Het was hard aanpoten, maar nu is er
eindelijk weer een normaal functionerend ziekenhuis in de regio en
mensen komen van heinde en verre naar ons toe: 60 kilometer lopen
voor een doktersbezoek is hier vrij normaal. Maar feit is dat niet
iedereen de weg meer op durft te gaan…
Er is niks over van alle 'luxe' van weleer. We
hebben een emmersysteem voor water, olielampjes voor bij het eten
en een gat in de grond is ons toilet. Wel staat er nog een enorme
antenne bij een van de huizen. We maken vaak grapjes wat er
vanavond op tv zal zijn.
Zwaaien naar geiten
Vanaf oktober zijn er regelmatig gevechten,
veel dorpen zijn afgebrand. Uit veiligheidsoverwegingen moet ik de
mobiele hulpposten tijdelijk stopzetten. Een paar dagen nadat er
weer gevechten zijn geweest, gaan we zo'n 15 kilometer van Boguila
kijken wat de situatie is en of het veilig genoeg is om weer erop
uit te gaan. Ik ga, samen met een verpleegkundige en een logistieke
medewerker, op pad. De weg is uitgestorven. In de verte zien we
mensen gauw de bosjes in rennen. Pas als ze zien dat het een Artsen
zonder Grenzen-auto is met vlag, komen ze voorzichtig tevoorschijn.
We rijden langs dorpen en uit pure gewoonte zwaaien we. Zwaaien en
lachen: de beste manier om contact met de bevolking te maken. Pas
als we dichterbij komen, realiseren we ons dat we naar
achtergebleven geiten zwaaien. De huizen zijn vers afgebrand en de
dorpen zijn verlaten.
Later krijg ik de kans om de rebellenleider te
spreken die over dit gebied 'gaat'. Ik ontmoet hem ergens in de
bossen achter de lege dorpen. Het voelt surrealistisch. Hij heet me
welkom en wil me vertellen waarom ze hun opstand hebben
georganiseerd. Ik stuur het gesprek naar de medische problemen en
leg uit wat Artsen zonder Grenzen doet. We praten over de problemen
van de bevolking, waar zijn ze naartoe gevlucht, hoe wonen ze?
Hebben ze toegang tot water? Zijn er onlangs mensen overleden?
Durven ze naar ons toe te komen als we hier regelmatig zijn? Het
lukt om informatie los te krijgen en het is geen probleem: we mogen
ons van hem in het gebied begeven.
Bush walk
Een paar dagen later gaan we weer op pad.
Terwijl het medisch team zijn werk doet, praat ik met wat mensen
die op onze hulppost zijn afgekomen. Ze vertellen me dat ze geen
gewonden hebben omdat ze ver genoeg van hun dorp waren. Ik doe een
bush walk om zelf te zien hoe de mensen leven. Samen met
een van onze lokale gezondheidswerkers loop ik een paar kilometer
de velden in. Als ik bij hun schuilplaats aankom, kan ik alleen
maar geschokt zijn. Er is niks. Ze slapen op een kleed onder de
bomen. Er staan een paar potten en pannen, eentje gevuld met bruin
water uit de rivier. De pompen in het dorp zijn nu te ver en ze
blijven liever ver van de weg. Ze hebben enkele stukjes zeil, maar
het is niet genoeg voor de drie families die daar zitten.
In de mobiele hulppost zien we ondertussen
veel kinderen en vrouwen. Malaria is de grootste boosdoener maar ik
zie ook heel wat zweren waar vocht uitkomt. Ik, als niet-medicus,
heb veel bewondering voor het team dat keihard werkt om 150 mensen
op één dag te kunnen onderzoeken, te luisteren naar hun klachten en
hun behandeling te regelen. Om een uur of vier pakken we de auto
weer in; we nemen een patiënt met ons mee voor verder onderzoek en
opname in het ziekenhuis. We vermoeden dat hij tuberculose heeft.
Een familielid van de man gaat met ons mee en met zijn allen rijden
we terug.
Onderweg komen we enkele gewapende mannen
tegen. Zoiets schudt je altijd weer even wakker: dit is de
realiteit waarin we werken. Maar zoals altijd worden we vriendelijk
gegroet. Gelukkig accepteren beide kanten op het moment onze
aanwezigheid. Ik hoop dat het zo blijft!
Veiligste plek
Dat Artsen zonder Grenzen ook voor een zeker
gevoel van veiligheid zorgt, blijkt als er een keer schoten worden
gelost in Boguila. Binnen de kortste keren is het aantal mensen in
het ziekenhuis verdubbeld. Ik zie zeker honderd extra mensen,
overal staan tassen. De kinderen van ons personeel zitten in een
hoekje van een kantoortje. Het voelt overweldigend. Al die mensen
zoeken veiligheid en denken dat bij ons te vinden. Kan ik ze dat
bieden? Het ziet er allemaal wat chaotisch uit, en als er in de
verte weer schoten klinken, duikt iedereen de kamers in. Ik voel me
een beetje uit het veld geslagen: al die mensen, de zoveelste keer
dat ze moeten vluchten.
Als het na een uur weer rustig is, gaan de
mensen terug naar huis en gaan wij weer gewoon aan het werk. Maar
het blijft in mijn gedachten en ik denk er nog lang over na. Al die
mensen die daar zaten, wachtend en hopend dat er verder niks zou
gebeuren.
Na negen maanden hier is mijn vervanger
aangekomen. Het is tijd om mijn taken over te dragen. Ik heb ook
een lange lijst met wat er nog geregeld moet worden. We zijn net
begonnen met de behandeling van tuberculosepatiënten, het testen op
hiv en de behandeling van aidspatiënten ligt ook in de planning.
Eigenlijk zou ik eind februari terug naar Nederland gaan, maar er
is nog een interim-post vrij in het noordoosten van de CAR. Een
project dat Artsen zonder Grenzen net geopend heeft en ik kan het
niet laten… ik blijf een maand langer en vertrek volgende week naar
Birao. Een zelfde soort gebied met dezelfde problemen.
Een berichtje naar huis dat ik toch pas in
april terug kom. Nou ja, ze zijn het inmiddels gewend. Dat maandje
maakt ook niet meer uit en ik zal alleen nog maar meer te vertellen
hebben.
Lees deel 2 van het dagboek van Akke
Boere