Normaliter werkt hij* in één van de vaste projecten
van Artsen zonder Grenzen in Yangon (Rangoon). Toen cycloon Nargis
met grote kracht toesloeg in Myanmar (Birma) was hij een van de
eerste artsen die naar het zwaarst getroffen gebied, de Irrawaddy
delta, afreisde. Hij hield een verslag bij van de eerste dagen na
dato.
Zondag 4 mei 2008
Yangon is in de afgelopen nacht getroffen door
een heftige cycloon. Het nieuws bereikt mij via de radio in
Lashio (in het oosten van Birma) waar ik op werkbezoek ben in ons
hiv/aidsproject. In de loop van de dag nemen de berichten van
enorme verwoestingen toe. Ik maak mij ernstig zorgen om mijn
familie. Ik kan niemand bereiken. Het telefoonnetwerk ligt plat.
Wij proberen een vlucht te boeken, maar de luchthaven van Yangon is
zwaar beschadigd. Voorlopig kan er niet geland worden. Er zit niets
anders op dan morgenochtend de bus te nemen, een rit van 24 uur, en
te hopen op een goede afloop.
Maandag 5 mei
8.00 uur. We naderen Yangon en eindelijk doet
mijn mobiele telefoon het, ik krijg contact. Mijn vrouw, ouders en
de kinderen maken het goed. Wat een opluchting! Ons huis is kapot,
er is een boom op het dak gevallen en er is lekkage, maar gelukkig
zijn ze ongedeerd. In de stad zien we de ravage. Het lijkt alsof er
geen elektriciteitspaal of reclamebord meer overeind staat. Ook
reusachtige oude bomen zijn geveld door de storm. Auto’s en
gebouwen zijn bedolven onder takken en boomstammen. Onze bus komt
dan ook niet ver en we gaan lopend verder.
Thuis aangekomen wacht mijn echtgenote op mij,
zij werkt ook voor Artsen zonder Grenzen. 'We moeten naar kantoor',
zegt ze meteen, ‘het is vreselijk in de Irrawaddy delta.' Ik had er
nog niet eens bij stilgestaan dat de ravage in andere delen van het
land nog wel eens veel erger kan zijn. Op kantoor hoor ik meer.
Grote vloedgolven hebben hele dorpen van de kaart geveegd.
Waarschijnlijk duizenden doden en tienduizenden mensen die dakloos
zijn. De medische coördinator en een dokter zijn gisteravond al
naar het deltagebied vertrokken en ze vragen om versterking.
Medische teams en goederen. Zoveel mogelijk, zo snel mogelijk.
Een paar uur later zit ik met twee teams in de
auto. In Bassein worden we opgewacht door de medische coördinator.
Per boot gaan we verder.
Dinsdag 6 mei
05.00 uur. We naderen Haigyi. Het wordt
langzaam licht en aan de oever doemen de skeletten op. Kromme
bladloze bomen met geknakte takken. Gebouwen zonder daken of muren.
Als we aanleggen zie ik de eerste mensen. Het valt me op dat veel
mensen een afwezige blik hebben. Ze lijken door me heen te
kijken.
Enkele mannen helpen ons met uitladen, ze
vragen wat we komen doen. We leggen uit dat wij van Artsen zonder
Grenzen zijn en medische hulp en goederen komen brengen. Samen gaan
we op zoek naar een geschikte plek voor een post. Het overgrote
merendeel van de gebouwen is zwaar gehavend, maar de mensen hebben
geluk gehad. Er is een hoger gelegen stuk waar mensen en beesten
zich naartoe konden redden toen het water kwam. Daarom zijn er
relatief weinig doden gevallen. Gewonden zijn er echter volop en
veel mensen zijn hun huis kwijt. Honderden mensen hebben in een
schoolgebouw zonder dak hun toevlucht gezocht.
We kunnen terecht in een half beschadigd
gebouw van een vrouwenvereniging. Gezamenlijk vegen we de modder
eruit en met plastic zeil repareren we het dak. Al snel komen de
eerste patiënten naar ons toe. Onze eerste boot met voedsel, nog
meer plastic zeil en andere voorraden arriveert een paar uur later.
Die dag behandel ik meer dan 200 patiënten.
Woensdag 7 mei
‘We hebben een probleem!’ roept Cho Aung, een
van onze logistieke medewerkers. ‘Het leger wil onze rijst
uitdelen’. Er was ons al verteld dat het leger in de omgeving wat
voedsel had uitgedeeld en bezig is lijken te bergen. Als ik bij
onze boten ga kijken, zie ik dat een paar soldaten onze lading
rijst uitladen. Ik vraag wat er aan de hand is. Een van hen vertelt
mij dat het leger de distributie in de omgeving regelt en onze
voorraden wel wil uitdelen. Ik vraag naar de commandant.
Ik leg uit dat wij van Artsen zonder Grenzen
zijn, dat wij komen helpen en graag zelf onze eigen voorraden wil
uitdelen in de dorpen. De discussie duurt lang, maar uiteindelijk
gaan ze akkoord en krijgen we onze voorraden terug. We worden zelfs
bedankt voor onze hulp. Een paar uur later dan gepland stappen we
met voorraden en medicijnen op een boot naar de verder gelegen
dorpen aan de
kust..
Donderdag 8 mei
Het meisje is zeven jaar oud. Haar vader is
visser, ze woonden in een huisje aan de zee. Toen een palmboom op
hun huis viel, is de hele familie landinwaarts gevlucht. Hun buren
zijn verdronken. Ze heeft een lelijke grote hoofdwond opgelopen.
Iemand heeft snel, en niet-steriel, hechtingen aangebracht. De wond
is vreselijk ontstoken en ze heeft meer zorg nodig dan wij nu
kunnen bieden. Ik regel vervoer, met een brommer en een boot stuur
ik het meisje met moeder naar het ziekenhuis in het binnenland.
Vrijdag 9 mei
Vannacht probeerden we de slaap te vatten in
de voorraadtent. Maar het stormde en regende steeds heviger. We
hielden het niet meer uit. Doorweekt en koud renden we naar het
huis van een familie die eten voor ons had gekookt eerder op de
avond. Vader, moeder, kinderen en een kleine baby. Ze waren
allemaal klaarwakker. Het was gewoon slecht weer zoals ze het ieder
jaar wel vaker meemaken, maar nu zat iedereen te trillen van de
angst. 'Wat gaan we doen als het water weer komt, de paniek, de
gillende mensen? We willen niet nog een keer vluchten dit keer
blijven we hier en dan gaan we gewoon maar dood,' horen
we.
Zaterdag 10 mei
We moeten meer boten huren. Er komen steeds
meer teams en goederen aan en de meeste plaatsen zijn enkel
bereikbaar over water. Ik onderhandel met een booteigenaar. Hij is
een aardige vent en wil ons graag helpen. Net als alle anderen
heeft hij ook een verhaal: 'Ik ben zelf ook maar net ontsnapt,’
vertelt hij. ‘Ik heb een zoutwinningbedrijf verderop. Ik was op de
zoutvlakte toen de storm kwam. Het water steeg zo snel, wel één
meter per minuut. Ik begon te zwemmen en kon nog net de top van een
boom vastgrijpen. Ik hield me in het begin met twee armen vast,
want de stroming was sterk. Maar toen werd ik bang dat ik het niet
lang vol zou houden. Dus hield ik mij met één arm vast en wisselde
van arm als ik kramp kreeg. Mijn kleren raakte ik kwijt. Het water
was ijskoud. Ik had kramp in mijn benen. Als ik in het water plaste
kreeg ik het even warm. Ik heb geluk gehad. Ik heb het vijf uur
lang volgehouden. Van mijn 200 medewerkers heeft bijna
niemand het overleefd.'
Zondag 11 mei
Stuk voor stuk behandelen we meer dan 200
patiënten per dag. Velen hebben trauma's of zijn in shock. Verwarde
mensen zoeken nog steeds naar hun familie. Kinderen hebben hun
ouders verloren. Ouders zagen hun kinderen verdrinken. 's Avonds
zit ik met mijn collega’s bij elkaar. Iedereen vertelt wat ze
hebben gehoord en gezien die dag. Het is zwaar, voor iedereen. We
zijn allemaal moe en slapen slecht. ’Ik krijg de geur van de lijken
niet meer uit mijn neus,’ vertelt een van de dokters. Zij heeft een
paar uur in een boot gezeten in een gebied waar veel lichamen en
dierlijke karkassen ronddrijven. De geuren, de beelden, de verhalen
van mensen, het overweldigt me immens. Ik merk dat ik mezelf ervoor
probeer af te sluiten. Vanavond ben ik naar buiten gelopen, ik
wilde het allemaal even niet meer horen.
* De arts die dit dagboek heeft geschreven wil graag
anoniem blijven.