Maartje Hoetjes is verpleegkundige bij Artsen zonder
Grenzen. Zij bracht onlangs een kort bezoek aan de uitgestrekte en
overvolle groep vluchtelingenkampen Dadaab in Kenia, vlakbij de
grens met Somalië. Op zoek naar veiligheid en hulp stromen
duizenden Somaliërs naar de kampen, waar in totaal meer dan 385.000
vluchtelingen verblijven. Elke dag komen er nieuwe mensen bij.
Velen verblijven noodgedwongen net buiten de kampen, waardoor ze
geen toegang hebben tot water, voedsel en onderdak. Maartje bezocht
een kliniek van Artsen zonder Grenzen.
Dag 1, 19 juli 2011
Mijn hoofd tolt. Een dag in Nairobi, de
hoofdstad van Kenia, met verschillende mensen, organisaties, praten
over de situatie in Kenia, Ethiopië en Somalië. Het is eng, zo
groot, zo immens, zo onmenselijk. Dagelijks komen er 1.500 mensen
de grenzen over van Somalië naar Kenia. Op de vlucht voor honger.
Mensen lopen honderden kilometers voor zoiets simpels en basaals
wat wij in onze mond stoppen zonder er aandacht voor te hebben. Om
nog maar te zwijgen van de mensen die deze tocht niet eens
overleven. De kampen zijn overvol en het is eng te denken aan wat
de consequenties daarvan kunnen zijn. Zoveel mensen opeen gestapeld
zonder genoeg water en sanitaire voorzieningen... Het kan een
tweede ramp worden.
ag 3, 20 juli
2011
Gisteren zei mijn collega tegen mij: 'Het is
alsof een klein kind in elkaar geslagen wordt en je mag niets
doen.' Een hele treffende omschrijving van de situatie in Somalië.
Zoveel mensen die honger hebben, kinderen die dood gaan van de
honger...en door de onveiligheid en beperkingen in Somalië kunnen
we niet alles doen wat we zouden willen doen. Door de aanhoudende
droogte zijn de oogsten verloren, de laatste kamelen en geiten zijn
inmiddels opgegeten. Al het overgebleven voedsel in het land is
onmiddellijk onbetaalbaar geworden. De kinderen, die in moeilijke
tijden op kamelen of geitenmelk overleven, hebben niets meer.
Wat doe je als je je familie niet meer kan
voeden? Geen andere keus dan vertrekken, een lange tocht door de
bloedhete stoffige woestijn op zoek naar hulp. In het zuiden van
Somalië is weinig hulp, er werken nog maar weinig organisaties.
Door onze onafhankelijkheid is Artsen zonder Grenzen een van die
weinige organisaties die in verschillende delen van Somalië kunnen
werken. Op dit moment draaien onze projecten op volle toeren, de
voedingsprogramma’s zijn overvol. Graag zouden wij meer doen en
uitbreiden, maar omdat er geen internationale medewerkers mogen
komen en er geen vliegtuigen mogen landen is dit heel moeilijk.
Zonder training, coaching en voorraden kun je heel moeilijk nieuwe
dingen beginnen. Het is zoeken naar mogelijkheden, en we geven niet
makkelijk op.
Dag 4, 21 juli 2011
Eindelijk de weg op. De afgelopen dagen hebben
we vooral besteed aan het in kaart brengen van de situatie in
Somalië, Kenia en Ethiopië. Welke gebieden zijn het meest
getroffen, waar komen mensen vandaan, waar gaan ze heen, waar
werken de verschillende andere organisaties? Vandaag dan op weg
naar Dadaab. Verschillende zusterorganisaties van Artsen zonder
Grenzen werken al in de kampen. Wij willen juist in de omgeving
gaan kijken hoe de oorspronkelijke bevolking eraan toe is. Ook zij
zijn getroffen door de droogte, terwijl ze ook vele gevluchte
Somalische families herbergen.
Met opwinding en angst zit ik in de auto voor
een 6-uur durende reis naar het grensgebied van Kenia en Somalië.
Ik voel opwinding; ik moet eerlijk zeggen dat ik nieuwsgierig ben
naar de situatie, maar ook angstig, nu die vreselijke beelden toch
wel heel dichtbij komen en echt worden. Toch een neiging om om te
draaien, mijn ogen te sluiten en terug te gaan naar mijn gelukkige
en onbezorgde leventje. Gelukkig heb ik altijd één wapen: mijn
stethoscoop. We gaan het zien.
Het zand verkleurt naar rood als we de
Somali-regio van Kenia binnen rijden. De rode woestijn, zoals ik
die zo goed ken uit de Ethiopische Somali-regio, waar ik een tijd
gewerkt heb. Ik herinner me dat ik op mijn laatste dag daar,
wachtend op het kleine vliegtuigje dat me op kwam halen, aan de
Somalische logistiek medewerker vroeg waarom het zand rood was. 'Ik
weet het niet,' zei hij, 'maar ik denk omdat er zoveel bloed
vergoten is hier.' Ben toch echt bang dat dit ook de pijnlijke
realiteit is van Somalië, zoveel onschuldige levens die verloren
gaan...
Dag 5, 22 juli 2011
Zaterdagavond een uur of 9. Voor de zoveelste
keer vandaag ben ik ontroerd. We zijn in vergadering met de oudsten
van het dorp. Twaalf mannen zitten plechtig rond de tafel te
vertellen over de moeilijke tijd waar ze doorheen gaan. 'Zo heb ik
het in mijn 70 jaren nog nooit meegemaakt,' zegt een oude chief. Ze
vertellen over hoe ze met de droogte al hun koeien verloren hebben.
Sommige families hebben weken gelopen met hun kuddes op zoek naar
een stukje groen. Nu zitten ze aan de andere kant van Kenia en
hebben al hun dieren verloren, er was geen groen gras meer over aan
de andere kant. Met lege handen vragen ze nu om hulp aan de
gemeenschap om terug te komen. De mensen leven nomadisch, hun
dieren zijn alles wat ze hebben. Hun belangrijkste voedsel is melk
en vlees. Voor ander voedsel of andere benodigdheden verkopen ze af
en toe een koe. Nu is er niets meer, geen melk, geen vlees en geen
geld om zelfs maar water te kopen... dat niet meer in de rivieren
stroomt maar alleen nog aangevoerd wordt met grote watertrucks. De
mensen leven van het beetje voedsel dat ze krijgen in de
distributies. Ik vind het moeilijk en voel me erg ongemakkelijk in
deze situatie waar twaalf oude mannen speciaal bijeen gekomen zijn
om met twee blonde meisjes te praten en om hulp te vragen.
De afgelopen dag hebben we verschillende
plaatsen bezocht en overal deze droeve verhalen gehoord. Rijdend
door een wereld van karkassen... Maar tussen al dit verdriet zijn
er toch puntjes van hoop. Mooie mensen, zoals die dokter die in een
ziekenhuis in de grote stad werkte. Hij wou toch zien waar de
ziekste patiënten vandaan kwamen. In zijn vakantie reisde hij door
dit gebied. Na zijn terugkomst vroeg hij meteen overplaatsing aan.
Sinds twee weken zit deze stadse dokter nu in the
middle of nowhere. ‘Ik ben nog jong, als ik in mijn leven
mensen wil helpen moet ik het nu doen’. Of het districtshoofd dat,
ook niet uit dit gebied, vol passie en emotie en met natte ogen
sprak over ‘zijn gemeenschap’. Deze mooie mensen, hier begint het,
zij maken het verschil.
Dag 6, 23 juli
2011
Middenin de woestijn, velden vol met schots en
scheef geplaatste hutjes tot aan de horizon. We zijn aangekomen in
Dadaab kamp. Of eigenlijk zijn we nog buiten het kamp. Een groot
deel van de vluchtelingen heeft zich namelijk daar gevestigd. De
drie bestaande kampen van Hagedera, Dagahaley en Ifo I zijn
namelijk al overvol. Een nieuw kamp is al gebouwd, Ifo II, maar dit
kamp is nog steeds niet geopend, dus de mensen wonen er omheen.
Duizenden op een uitgestrekte zandvlakte, zonder water, zonder
latrines. Karkassen van dode dieren liggen ook hier op
verschillende plaatsen. Ze verspreiden afschuwelijke geuren.
Toch is het anders dan ik had verwacht. Ik
merk weer eens hoezeer ik toch uit een heel andere wereld kom,
zelfs na een paar jaar werken in Afrika, want ik had me een
voorstelling gemaakt van een festivalkampterrein. Zo is het dus
helemaal niet. De hutjes staan toch wel wat verder uit elkaar dan
de tentjes op de Lowlands camping. Maar wat me het meest opvalt en
tegelijkertijd aangrijpt is de relatieve stilte. Het is een
uitgeputte, verslagen stilte. Wat kan je ook nog zeggen... Door de
brok in mijn keel is de schreeuw in mij ook even machteloos.
We proberen de kliniek van onze collega’s van
Artsen zonder Grenzen te vinden tussen alle hutjes. We rijden een
tijdje rond en verdwalen in de wirwar. Door de aanwijzingen van een
man die afgelopen week vanuit Mogadishu is komen lopen
(ongelofelijk...) weten we de kliniek te traceren, een snel
opgebouwde hulppost, bestaand uit tenten. Binnen is het een drukte
van belang, talloze mensen zitten te wachten op een consult,
vaccinatie voor hun kinderen, prenatale zorg van de verloskundige
of het voedingsprogramma. In het triage–gebied zitten tientallen
mannen en vrouwen (gescheiden) netjes op een rijtje te wachten, op
een bankje. Weer die stilte, lege blikken...
De nationale supervisor leidt ons rond en
vertelt ons dat er dagelijks meer dan 50 kinderen worden opgenomen
in het therapeutische voedingsprogramma. We lopen de tent in waar
de kinderen opgenomen worden. Onze stoere, beetje onverschillige
chauffeur is ook mee naar binnen gekomen en kijkt een beetje rond.
Op een gegeven moment licht hij de mouw op van een T-shirtje van
één van de kindjes. Vol ongeloof kijkt hij naar het stokdunne
armpje van het jongetje en ik zie dat zijn hart even stilstaat. Dit
beeld blijft me bij. Dadaab kamp, ongeloof in een verslagen
stilte.
Maartje Hoetjes werkt sinds januari 2009 voor Artsen zonder
Grenzen en heeft sindsdien in verschillende landen noodhulp
geboden, waaronder de Democratische Republiek Congo en
Ethiopië.