OVER AANHOUDEND GEWELD EN MEDISCHE HULP IN SOMALIË

Dagboek van specialist humanitaire zaken Tirana

© Tirana HassanSinds mei 2007 runt Artsen zonder Grenzen een kinderpolikliniek in Mogadishu, hoofdstad van Somalië. Het aantal patiënten dat ons team daar behandelt blijft stijgen, maar het extreme en aanhoudende geweld maakt het steeds moeilijker om op pad te gaan: zowel voor inwoners als hulpverleners. Tirana Hassan is specialist humanitaire zaken van Artsen zonder Grenzen. Ze houdt voor ons een dagboek bij.

Op 28 januari 2008 werden in Kismaayo, een havenstad in het zuiden van Somalië, 3 van onze collega's gedood. Dit leidde tot een uitgebreid onderzoek naar de toenemende gevaren van het werken in Somalië. We besloten de permanente aanwezigheid van internationale hulpverleners op te schorten totdat de situatie is verbeterd. De projecten worden voortgezet onder leiding van onze Somalische medewerkers. Internationale teams brengen op onregelmatige basis controlebezoeken.

 

Maandag 19 november 2007 - Mariam

Er komen nog meer mensen aan uit Mogadishu. De eerste vrouw waar we mee praten is 70 jaar oud, even oud als mijn vader, maar het is ongelooflijk hoe anders hun wereld is. Haar gezicht spreekt boekdelen: ik zie uitdagingen, worstelingen. Maar ze heeft een enorme, voelbare energie. En ondanks haar vlucht en haar persoonlijke tragedie vertelt ze mij haar verhaal en grapt ze zelfs.

 

Ze nodigt ons uit in een eenkamerwoninkje: het 'thuis'' van haar en haar drie kleinkinderen. Haar zoon werd gedood tijdens de gevechten in Mogadishu. Ze rolt een klein plastic matje uit op de grond. Het enige dat ze mee heeft kunnen nemen uit Mogadishu, dat en de kleren die ze droegen.

 

Terwijl ik op de mat zit, besef ik me hoe doof mensen kunnen worden voor taal als '170.000 mensen ontvluchten Mogadishu'…Je leest en hoort de verslagen en je voelt geen emotie woorden als 'ontheemd', 'vluchten', 'verlaten'. Maar, terwijl Mariam praat voel ik wat dit ECHT betekent. Voor Mariam betekende het dat ze moest rennen, dat ze om zich heen moest kijken en haar drie kleinkinderen van 8, 5 en 3 jaar oud vastgreep en begon te rennen. En terwijl ze de deur uitrende zag ze hoe haar zoon werd gedood. Er was geen tijd om te stoppen, om te denken, om te plannen, zelfs niet om een paar spullen te pakken, ze moest gewoon rennen en is niet meer teruggekeerd.

 

Dat is wat 'ontheemding' inhoudt. Aan het einde van haar verhaal vraagt ze me of ik haar naam goed heb gespeld. Ze is niet bedroefd, ze wil geen medelijden, ze vertelt ons gewoon hoe het zit. Ze heeft alleen deze mat, wat heeft ze nog meer te verliezen? Ze wil dat wij haar verhaal vertellen aan mensen daarbuiten, aan iemand die om anderen geeft, aan iemand die actie onderneemt.

Zondag 18 november 2007 - Onmogelijke keuzen

Bij Artsen zonder Grenzen zijn we ons constant bewust van de onmogelijke keuzen waar mensen in Somalië zich dag in dag uit mee worden geconfronteerd. Een voorbeeld: we vroegen ons af waarom kinderen doodgaan door diarree of ondervoeding op slechts op drie kilometer afstand van ons ziekenhuis. Onze medicijnen, onze therapeutische voeding, onze medische zorg is gratis.

 

Maar de harde werkelijkheid is dat de kinderen overdag thuis zijn met alleen hun 9, 10 of 11 jaar oude broer of zus. De moeder verkoopt iets op de markt of doet bij iemand thuis de was. Zo schrapen ze geld bij elkaar om te overleven, dag op dag. Vrij nemen omdat haar kind ziek is kan niet. Als ze een dag niet werkt omdat ze haar kind naar de kliniek moet brengen, heeft ze geen geld om de andere vijf kinderen te voeden.

 

Als ze het kind wel brengt en het kind wordt opgenomen in het voedingscentrum (zo eentje zoals je waarschijnlijk op tv hebt gezien, grote ruimtes met ondervoede kinderen die met grote oranje plastic bekers door hun moeders worden gevoed) - dan kan ze soms niet bij haar kind blijven om het te verzorgen. Ze moet terug naar haar andere kinderen die alleen in het kamp zijn. Bovendien, als ze een paar dagen wegblijft zullen de families waar ze de was doet, iemand anders het baantje geven. En dat betekent dat ze van weinig inkomen naar nul inkomen gaat. Dit zijn de echte dilemma's waar mensen elke dag voor staan.

Donderdag 15 november 2007 - Gevaar en medeleven

Vandaag gaan we naar een vluchtelingenkamp aan de andere kant van de stad. Volgens de leiding zijn er tussen de 600 - 700 mensen uit Mogadishu, gevlucht voor het geweld. Ik hoor verhalen van gruwelijke dingen die mensen tijdens hun vlucht hebben meegemaakt. Ze zijn blij dat ze het vege lijf hebben kunnen redden. Drie verschillende mensen vertellen ons dat het huis naast hen verwoest werd door bommen en ander wapentuig. Ze weten hoeveel mensen er in elk huis zaten, en dat ze allemaal dood zijn. Ze praten over rennen zonder omkijken, hoe ze van hun kinderen, echtgenoot en andere familieleden gescheiden zijn geraakt. En dat ze nog steeds niet weten waar die nu zijn.

 

Zelfs als ze erin slagen de gevechten te ontkomen, zijn ze niet veilig. De tocht uit Mogadishu is gevaarlijk: op de wegen barst het van dieven en bandieten. Ze blokkeren de weg en eisen geld voor doorgang. Als je geld is opgeraakt pakken ze je eigendommen af. Tegen de tijd dat de meeste mensen hier aankomen, hebben ze niets meer: alleen de kleren aan hun lijf. Ons wordt verteld dat er zo'n 150 checkpoints zijn tussen Mogadishu en Galkayo: een afstand van 750 kilometer. In principe zou je die in een paar dagen kunnen afleggen, maar met alle wegblokkades en doorzoeken van spullen duurt het 7 tot 12 dagen - afhankelijk van de problemen die je ondervindt.

 

Soms is het moeilijk in woorden uit te drukken wat je hier ziet en hoort. Als ik de verhalen woord voor woord voor je zou herhalen zou je het idee hebben dat het hopeloos is. De verhalen zijn ongelooflijk tragisch en het gaat om onvoorstelbare harde omstandigheden. Maar als je met deze mensen praat word je vooral geraakt door hun veerkracht. Deze mensen zijn gericht op overleven: ze hebben geen tijd om stilletjes bedroefd te zijn, ze zoeken werk en willen een leven opbouwen voor hun gezin.

 

Ik praat met een vrouw. Haar dochter was zes maanden zwanger, bij aankomst kreeg ze een miskraam. Ze kende niemand in het kamp. Iemand verliet haar eigen onderkomen en ging bij een andere familie wonen zodat zíj, met haar kinderen, een plek had. Ik weet niet of dat bij mij thuis zou gebeuren. In al deze chaos tonen mensen ongelooflijk medeleven waar je jezelf onbelangrijk bij voelt.

Woensdag 14 november 2007 - opgewonden, nerveuze sfeer

Ik kijk om me heen: Galkayo is warm en stoffig. Het is het decor van een prachtige dag in het ziekenhuis. Ze zijn bezig met het inenten van mensen tegen mazelen en het behandelen van patiëntjes voor ondervoeding. Het bruist van bedrijvigheid. Het ziekenhuis is stampvol met moeders en kinderen, meer dan 150. De kinderen zijn erg schattig, ik zou ze het liefst willen oppakken en met ze spelen. Maar meestal gaan de kinderen hier huilen als ze mijn gekke lichte huidskleur zien. Dus ik laat mijn impuls voor wat het is.

 

Soms hoor je de gekste dingen als je 'in het veld' bent. Zoals vandaag. Ik was op weg om met wat vrouwen te spreken die uit Mogadishu zijn aangekomen, en kwam onze vroedvrouw Sarah tegen. Met haar handen in de lucht riep ze me toe 'Goddank, we hebben een fistel gevonden!!' Minder gek dan het lijkt. Ze bedoelt dat ze blij is dat wij iemand kunnen helpen.

 

Een fistel is niet louter een medisch probleem, de sociale gevolgen zijn niet te bevatten. Ten eerste loopt er constant urine langs je been omlaag, elke dag, de hele dag. Dus was je jezelf, en nog eens, en nog eens, maar je raakt de geur niet kwijt. Vaak wil je man niets meer van je weten. Als je geluk hebt neemt je familie je op. Maar vaker nog sturen ze je vanwege de stank het huis uit en moet je onder een boom slapen. Of soms word je compleet verstoten.

 

Er zijn vrouwen die helemaal niemand hebben. Ze leven alleen, afgezonderd en vernederd. Het is ongelooflijk tragisch, helemaal als je je bedenkt dat het voorkomen had kunnen worden. Het team hier is al een paar weken bezig met het onderzoeken van vrouwen die voor een fisteloperatie in aanmerking komen. Er hangt een opgewonden, licht nerveuze sfeer in de lucht rond de vroedvrouw en de chirurgen. Als de operaties met succes worden uitgevoerd kunnen ze de levens van deze vrouwen veranderen.

Dinsdag 13 november 2007 - fistels en gevechten

Vandaag ben ik en route naar Galkayo, een stad op de rand van een regio die Puntland genoemd wordt. Artsen zonder Grenzen runt hier een groot ziekenhuis met een operatiezaal, verpleegafdeling, polikliniek, spoedeisende hulpafdeling, kinderafdeling. Ook zijn er behandelprogramma's voor tuberculose- en ondervoede patiënten.

 

Ik reis mee met Deense chirurg Peter die hier vier weken speciale operaties gaat doen: hij gaat fistels bij vrouwen herstellen. Een fistel is een gat tussen vagina en blaas waardoor urine ongecontroleerd loopt. Dit kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden als de weeën tijdens een bevalling erg lang duren. Doordat het hoofdje van de baby tegen de bekkenwand slaat, ontstaat zo'n gat.

 

Sommige vrouwen die nu naar ons toekomen om een hersteloperatie te ondergaan hebben drie dagen weeën gehad. Een van de redenen is dat meisjes hier in hun pubertijd trouwen; hun lichamen zijn daardoor te klein voor een voorspoedige bevalling. De sociale gevolgen van een fistel voor de vrouwen zijn enorm. En dat heb ik het nog niet eens over de vroege dood van hun baby'tjes.

 

Ik hoor intussen dat Mogadishu geplaagd wordt door problemen. De situatie is nog erger geworden. Onze oude kinderkliniek is verlaten, iedereen vluchtte binnen een uur toen er even een luwte was in de gevechten. Het personeel heeft de hele kliniek verhuisd, en ondanks het feit dat de meesten zelf ook hun huis moesten ontvluchten, hebben ze gezegd dat ze zullen blijven werken.

 

Ik lees persberichten, nieuwsberichten en oproepen die de aandacht vestigen op de vele mensen die Mogadishu zijn ontvlucht. Zij moeten er erg aan toe zijn, absoluut, maar we maken ons zorgen over de mensen die Mogadishu niet uit konden komen. Drie dagen geleden is de markt gesloten, wat betekent dat heel veel mensen geen bron van inkomsten hebben. Hoe komen ze aan eten? Het is te gevaarlijk om je op de weg te wagen, zeker met de blokkaden in de stad. Een kaartje voor een bus ligt buiten het bereik van mensen die toch al weinig hadden. Dus nu zitten ze vast: tussen armoede en onveiligheid.


Dinsdag 23 oktober 2007 - praktisch alleen vrouwen

Vandaag vliegen we de stad uit. Twee dagen eerder dan gepland, maar we zijn erin geslaagd het nodige te doen. De politieke situatie raakt steeds meer gespannen met de aankomende breuk tussen de president en de premier, wat betekent dat - bovenop de bestaande onveilige situatie - het risico op politiek geweld toeneemt. In feite zou dit betekenen dat het nog moeilijker wordt voor de doorsnee burger om in Mogadishu te wonen. Maar zelfs als de internationale medewerkers weggaan gaat het werk in de kliniek door. Er is een complete, professionele Somalische staf aanwezig: ervaren artsen, verpleegkundige en overig medisch personeel die de kliniek zes dagen per week open houden.

 

Het internationale team zal snel terugkeren, deze 'in-en-uit'-methode is hoe Artsen zonder Grenzen nu moet werken. Het is niet de optie die onze voorkeur geniet, maar helaas wel onze enige optie. Het is moeilijk om in Somalië te werken, dat is denk ik wel duidelijk, maar het moet niet als onmogelijk worden gezien. Als je rondkijkt en met mensen praat zie je dat er een nijpende nood is aan meer rechtstreekse hulp (niet alleen medisch) voor mensen in Mogadishu.

 

Op weg naar het vliegveld kunnen we even een stop maken bij de mobiele hulppost. Het is zeldzaam dat je je ergens - buiten onze verblijfplaats en kliniek - kunt begeven. Onze mobiele hulppost bestaat in dit geval uit een klein minibusje met een Artsen zonder Grenzen sticker op de zijkant, vol met de nodige spullen (mooi is het misschien niet, maar het werkt). Het mobiele team zet een tijdelijke kliniek op om de kinderen in het kamp te behandelen. Vandaag is dat in een leeg en verlaten huis. Het kamp is een typisch ontheemdenkamp zoals je dat veel in Mogadishu aantreft: overbevolkt, chaotisch, kleine ronde tentachtige bouwsels gemaakt van stokken, bedekt met een lappendeken van bedlakens, lappen stof, ik ontwaar denk ik zelfs een geitenhuid.

 

De meeste bouwsels (maar niet allemaal) hebben een stuk plastic zeil dat de bovenkant bedekt, hopelijk biedt dat enige bescherming tegen regen. De aarde is rul, overal ligt afval. Sommige onderkomens hebben een kleine omheining, op de grond van het 'erfje' zitten moeders met hun baby's. Rondom hen hangt was te drogen.

 

Er staat een rommelige rij van moeders met een armvol kinderen. Sowieso zie ik praktisch alleen vrouwen. Er zijn wel een paar mannen, maar het merendeel bestaat zeker uit vrouwen. Tijdens mijn gesprekken zeggen sommige vrouwen dat de meerderheid van hen hier alleen is met hun kinderen. De aantallen variëren, maar ze zeggen dat de meeste vrouwen of gescheiden zijn, of dat hun echtgenoten Mogadishu hebben verlaten om werk te zoeken of dat sommigen de stad uit zijn vanwege de verschrikkelijke situatie en dat ze niet weten waar ze nu zijn. De maatschappelijke impact van jaren van geweld is een onderwerp dat ik nog niet heb aangeroerd, en het vergt meer tijd om te bespreken dan er vandaag is.


Maandag 22 oktober 2007 - wat is je bescherming tegen zwaar geschut?

Vandaag sprak ik met wat vrouwelijke patiënten en een aantal van onze medewerkers over de verpleegafdeling. Ze vertelden over hun ervaringen tijdens de bombardementen. Sommigen keken me met een uitgestreken gezicht aan toen ik ze vroeg of zij Mogadishu hebben verlaten toen de gevechten zo hevig waren een paar maanden geleden.

 

Ik begin hun gelaatsuitdrukking te begrijpen, het straalt iets uit van 'Dame, waar denk je dat wij heen kunnen gaan? Het is niet alsof we ergens zomaar geld hebben liggen om even de bus te pakken.' Het zijn natuurlijk niet hún woorden, maar soms vraag ik me af of ze dit soort vragen belachelijk vinden. Hun antwoord was nee. Nee, ze hebben de stad niet verlaten, ze 'verhuisden gewoonweg' naar een gebouw met een betonnen dak in hun kamp omdat ze wisten dat de mortiergranaten een weg dwars door hun provisorische onderkomens zouden scheuren.

 

Een van onze medewerkers was afgelopen dinsdag aan het werk toen de gevechten dichtbij de kliniek kwamen. Die zag hoe alle vrouwen met hun kinderen die toen in de verpleegafdeling waren, zich van de ene naar de andere kant van het terrein repten - naar de polikliniek die wat meer solide is. In de verpleegafdeling kijk ik naar boven, ik zie een blikken dak, en ik kan me enkel voorstellen dat het weinig bescherming zou bieden voor zwaar geschut. De polikliniek heeft tenminste nog een dak van beton.

 

Het zet alles wel in perspectief. Zelfs als Artsen zonder Grenzen tracht hulp te geven en een zekere bescherming probeert te bieden, is ook de kliniek niet veilig voor de mate van geweld die hier en nu realiteit is.


Zaterdag 20 oktober 2007 - hoe klein de wereld kan zijn

Werd om één uur 's nachts met een klap wakker, maar hoorde geen schoten dus ben ik weer naar bed gegaan. Bij de ochtendmeeting van vanochtend was maar de helft van het personeel er. Mij werd verteld dat er zoveel checkpoints rond en door de stad zijn dat het wat langer duurt voordat ze in de kliniek kunnen zijn.

 

We ontmoeten nog wat meer mensen uit een andere kamp, zo krijgen we een beter overzicht wat er allemaal aan de hand is en nodig is. Nog liever zouden we met nog meer mensen uit verschillende hoeken spreken, maar we moeten roeien met de riemen die we hebben. De vrouwen hebben hun kinderen meegenomen, het zijn echt schatjes. Maar ze zijn wel stuk voor stuk in meer of mindere mate ondervoed, dus na ons gesprek gaan de kinderen meteen door voor behandeling.

 

Het hoogtepunt van de dag is dat een bus vol met vrouwen en kinderen aan is gekomen. Ze zijn gestuurd door een kamphoofd die afgelopen donderdag in onze kliniek is geweest. Twintig van deze kinderen worden nu in de polikliniek behandeld, en de vroedvrouwen vertellen me dat er tientallen zwangere vrouwen bij zijn. Er is binnen niet genoeg plaats, ze zitten op de vloer of wachten buiten tot ze aan de beurt zijn voor onderzoek. Het werkt dus: aan sleutelpersonen vertellen dat wij er zijn zodat ze mensen naar ons toe sturen, en dan kunnen de mensen die we behandelen het weer aan een ander doorvertellen. Het past in de Somalische vertelcultuur en nu zien we het in actie.

 

Het geeft aan hoe klein de wereld is voor de allerarmsten. Nu is in feite bijna iedereen in Mogadishu een vluchteling, het geweld door alle jaren heen heeft iedereen op de vlucht doen slaan. Maar de mensen in de kampen in Mogadishu zijn toch wel het ergst eraan toe. Stel je voor, de hele dag maak je je zorgen: over hoe onveilig het is, hoe je jezelf en je kinderen moet voeden. Des te moeilijker je het hebt, des te kleiner je wereld wordt. Het wordt schier onmogelijk om om je heen te kijken en te bedenken of en waar je medische hulp zou kunnen krijgen. En dat is precies waarom we ook naar hén toe willen gaan.


Vrijdag 19 oktober 2007 - stilte voor de storm?

Vandaag is de vrije dag in Somalië en het voelt anders. Desalniettemin gaan we naar het kantoor, maar vanwege schermutselingen op straat adviseert men ons terug te gaan. Ik besluit mijn aantekeningen van de interviews uit te werken.

 

We hebben berichten gehoord dat mensen Mogadishu hebben verlaten of dat ze naar de buitenrand van het centrum zijn uitgeweken. Dokter Fuad zegt dat we het merken in de kliniek: er komen minder mensen. Het heeft ermee te maken dat de mensen die rondom de kliniek wonen, zijn gevlucht. Een grote wijk in de buurt - door de mensen hier een sloppenwijk genoemd - was een paar weken nogal zwaar gebombardeerd. Daarop hebben de meeste mensen de wijk verlaten. In september behandelden we in totaal 88 patiënten, maar nu hebben we deze maand nog maar 17 patiënten gezien.

 

Dat de mensen niet meer konden blijven betekent niet dat ze geen hulp nodig hebben. Het is gewoon te onveilig voor hen om naar ons toe te komen. Dat is nou concreet wat het betekent om 'geen toegang tot gezondheidszorg hebben'.


Donderdag 18 oktober 2007 - sceptisch

Gisterennacht was het ongelooflijk stil. Het geeft ons een beetje hoop, en we zullen zoveel mogelijk gaan doen tijdens dit bezoek.

 

Ons doel is om medische zorg te bieden aan de meest kwetsbaren. Aangezien de mortiergranaten en kogels de mensen om de oren vliegen is iedereen in feite kwetsbaar. Maar allereerst richten we ons op kinderen en zwangere vrouwen. Dat betekent dat we moeten zorgen dat mensen weten dat wij gratis zorg geven en dat we er zijn. We vragen ons af of ze bij ons kunnen komen: hoe zit het met het aantal checkpoints, hebben ze geld voor bus of taxi?

 

Zolang we zelf nog niet naar de kampen buiten de stad kunnen, proberen we de mensen uit de kampen naar ons toe te krijgen. Ik spreek met drie vrouwen: twee zijn er zwanger, de derde heeft een baby van negen maanden oud. De zwangere vrouwen gaan voor onderzoek naar de arts. Op het hoofdje van de baby zie ik littekens van brandwonden. Omdat je voor bijna alle gezondheidsinstellingen hier moet betalen, en mensen dat geld niet hebben, verlaten mensen zich op traditionele geneeswijzen. Het baby'tje hoest, dus ook hij gaat naar de arts.

 

Ik leg uit waarom we hier zijn. Twee willen duidelijk graag vertellen, de derde kijkt sceptisch. Het verrast me niet. De mensen in Somalië hebben zoveel mensen gezien die hier komen om hulp te verlenen maar dat uiteindelijk niet doen vanwege de onveiligheid. Mensen nemen vaak aan dat de Somaliërs blij zullen zijn als ze een internationale hulporganisatie zien. De realiteit is anders. Zoveel beloften, zo weinig resultaat. Ze hebben hier zo'n ontzettend zwaar leven, ze geloven het pas als ze het met eigen ogen zien.

 

Dan praten we over het leven in het kamp, hun problemen. Een van onze vroedvrouwen tolkt. Ik wil weten hoe het zit met seksueel geweld: we horen dat het gebeurt, maar ze komen nog niet naar ons toe. De vrouwen geven voorbeeld na voorbeeld. Een paar maanden geleden, toen de gevechten nog heviger waren, namen de verkrachtingen toe, zeggen ze. Een tragisch patroon dat we over de hele wereld zien. Reden voor ons om plannen te maken.


Woensdag 17 oktober 2007 - Dagelijkse kost

Voorzichtig wagen we ons weer buiten. Het blijkt dat een van de knallen de inslag was van een of ander anti-vliegtuigwapen - er is een flinke hap uit de buitenmuur. In alle richtingen zie je kleine hapjes in de muren. Wij hebben tenminste nog muren, maar hoe zal het zijn in de kampen, of in de duizenden huizen en krotten?

 

Elke dag begint met een 'security meeting', wat inhoudt dat we met het hele team bespreken wat de veiligheidssituatie is. Onze Somalische medewerkers wonen in diverse delen van de stad en van hen krijgen we nieuws over wat er in Mogadishu gebeurd is. Het gaat allemaal in het Somalisch, dus pas als iedereen klaar is en de vertaler alles heeft samengevat, zal ik weten wat er is gezegd.

 

Terwijl een van de artsen zijn verhaal doet, buigt Jelle zich naar mij toe: 'Doorgaans is hij een man van weinig woorden, dus nu moet hij wel iets ernstigs te vertellen hebben.' Hoofden schudden. Ik bedenk me dat dit dagelijkse kost is voor hen. De hele dag worden ze in de kliniek met gevolgen van geweld geconfronteerd, en dan op weg naar huis nog eens.

 

Aan het einde van de meeting vraagt Jelle aan de arts van weinig woorden of alles oké is. De arts vertelt dat hij een vreselijke nacht heeft gehad. Hij en zijn familie hebben de hele nacht op de vloer van het huis doorgebracht. Dan zegt hij: 'Het is goed dat Artsen zonder Grenzen naar Mogadishu is gekomen. Dit is een moment dat je je verantwoordelijkheid moet nemen en ik zou zelfs voor niets hier willen werken. Dit is de tijd voor menselijkheid.' Ik weet niet wat ik nog toe kan voegen.


Dinsdag 16 oktober 2007 - aankomst

Zoals altijd heb ik een schrikbarend vroege vlucht. De Cessna van 18 stoelen zit vol komende en gaande collega's. Een jaar geleden reisde ik per auto, maar nu is dat geen optie. Vanaf de lucht zie ik een indrukwekkende metropolis. Geen teken van tien maanden gevechten: van kogels, raketten en mortiervuur. Mogadishu is een kuststad, ik vraag me af hoe het er in tijden van vrede was.

 

Mijn collega Jelle, projectcoördinator, en dokter Fuad rollen bedreven door de gebruikelijke vliegveldbureaucratie. Dan volgt een goed geoliede machine: diverse mensen zorgen dat wij een veilige rit vanaf het vliegveld hebben. Jelle vertelt over alle maatregelen die hij heeft getroffen, en ik besef dat een rit van 15 minuten niet vanzelfsprekend is hier.

 

Onze verblijfplaats ligt op een steenworp afstand van de kliniek, maar we nemen de auto: lopen is te gevaarlijk. De rit duurt niet meer dan 30 seconden. Jelle stelt het nieuwe gezicht (ik) voor en legt uit wat ik kom doen. Ik ben me ervan bewust dat wat ik doe niet altijd even goed is te begrijpen. Ik ben geen arts, verpleegkundige of verloskundige. We houden het bewust kort want hoe later, hoe moeilijker en gevaarlijker hun reis naar huis.

 

Tijdens het eten praten we over onze plannen om de vele Somaliërs die gevlucht zijn en nog in het land zijn (in jargon 'ontheemden') te bereiken. We zijn vol hoop dat we binnenkort naar een van de kampen kunnen gaan. Het gesprek wordt bruusk afgebroken bij het horen van geweerschoten. Op zich niet zo uitzonderlijk, maar nu klinken ze dichtbij en volgen er zwaardere knallen, mortiervuur denken we. Snel gaan we naar de safe room, de schuilkamer met stevige muren en weinig ramen. De knallen houden een uur aan, we speculeren wat er wordt afgeschoten en wat er wordt geraakt. We luisteren aandachtig naar elk geluid. Mobiele telefoons piepen en gaan af, net zoals in heel Mogadishu. Iedereen probeert te weten te komen wat er gebeurt en na te gaan waar je dierbaren zijn.

 

Terwijl ik dit schrijf, klinken er weer knallen. We vragen ons af hoe wij hier dag na dag kunnen werken.