Sinds mei 2007 runt Artsen
zonder Grenzen een kinderpolikliniek in Mogadishu, hoofdstad van
Somalië. Het aantal patiënten dat ons team daar behandelt blijft
stijgen, maar het extreme en aanhoudende geweld maakt het steeds
moeilijker om op pad te gaan: zowel voor inwoners als
hulpverleners. Tirana Hassan is specialist humanitaire zaken van
Artsen zonder Grenzen. Ze houdt voor ons een dagboek
bij.
Op 28 januari 2008 werden in Kismaayo, een havenstad in het
zuiden van Somalië, 3 van onze collega's gedood. Dit leidde tot een
uitgebreid onderzoek naar de toenemende gevaren van het werken in
Somalië. We besloten de permanente aanwezigheid van internationale
hulpverleners op te schorten totdat de situatie is verbeterd. De
projecten worden voortgezet onder leiding van onze Somalische
medewerkers. Internationale teams brengen op onregelmatige basis
controlebezoeken.
Maandag 19 november 2007 - Mariam
Er komen nog meer mensen aan uit Mogadishu. De
eerste vrouw waar we mee praten is 70 jaar oud, even oud als mijn
vader, maar het is ongelooflijk hoe anders hun wereld is. Haar
gezicht spreekt boekdelen: ik zie uitdagingen, worstelingen. Maar
ze heeft een enorme, voelbare energie. En ondanks haar vlucht en
haar persoonlijke tragedie vertelt ze mij haar verhaal en grapt ze
zelfs.
Ze nodigt ons uit in een eenkamerwoninkje: het
'thuis'' van haar en haar drie kleinkinderen. Haar zoon werd gedood
tijdens de gevechten in Mogadishu. Ze rolt een klein plastic matje
uit op de grond. Het enige dat ze mee heeft kunnen nemen uit
Mogadishu, dat en de kleren die ze droegen.
Terwijl ik op de mat zit, besef ik me hoe doof
mensen kunnen worden voor taal als '170.000 mensen ontvluchten
Mogadishu'…Je leest en hoort de verslagen en je voelt geen emotie
woorden als 'ontheemd', 'vluchten', 'verlaten'. Maar, terwijl
Mariam praat voel ik wat dit ECHT betekent. Voor Mariam betekende
het dat ze moest rennen, dat ze om zich heen moest kijken en haar
drie kleinkinderen van 8, 5 en 3 jaar oud vastgreep en begon te
rennen. En terwijl ze de deur uitrende zag ze hoe haar zoon werd
gedood. Er was geen tijd om te stoppen, om te denken, om te
plannen, zelfs niet om een paar spullen te pakken, ze moest gewoon
rennen en is niet meer teruggekeerd.
Dat is wat 'ontheemding' inhoudt. Aan het
einde van haar verhaal vraagt ze me of ik haar naam goed heb
gespeld. Ze is niet bedroefd, ze wil geen medelijden, ze vertelt
ons gewoon hoe het zit. Ze heeft alleen deze mat, wat heeft ze nog
meer te verliezen? Ze wil dat wij haar verhaal vertellen aan mensen
daarbuiten, aan iemand die om anderen geeft, aan iemand die actie
onderneemt.
Zondag 18 november 2007 - Onmogelijke
keuzen
Bij Artsen zonder Grenzen zijn we ons constant
bewust van de onmogelijke keuzen waar mensen in Somalië zich dag in
dag uit mee worden geconfronteerd. Een voorbeeld: we vroegen ons af
waarom kinderen doodgaan door diarree of ondervoeding op slechts op
drie kilometer afstand van ons ziekenhuis. Onze medicijnen, onze
therapeutische voeding, onze medische zorg is gratis.
Maar de harde werkelijkheid is dat de kinderen
overdag thuis zijn met alleen hun 9, 10 of 11 jaar oude broer of
zus. De moeder verkoopt iets op de markt of doet bij iemand thuis
de was. Zo schrapen ze geld bij elkaar om te overleven, dag op dag.
Vrij nemen omdat haar kind ziek is kan niet. Als ze een dag niet
werkt omdat ze haar kind naar de kliniek moet brengen, heeft ze
geen geld om de andere vijf kinderen te voeden.
Als ze het kind wel brengt en het kind wordt
opgenomen in het voedingscentrum (zo eentje zoals je waarschijnlijk
op tv hebt gezien, grote ruimtes met ondervoede kinderen die met
grote oranje plastic bekers door hun moeders worden gevoed) - dan
kan ze soms niet bij haar kind blijven om het te verzorgen. Ze moet
terug naar haar andere kinderen die alleen in het kamp zijn.
Bovendien, als ze een paar dagen wegblijft zullen de families waar
ze de was doet, iemand anders het baantje geven. En dat betekent
dat ze van weinig inkomen naar nul inkomen gaat. Dit zijn de echte
dilemma's waar mensen elke dag voor staan.
Donderdag 15 november 2007 - Gevaar en
medeleven
Vandaag gaan we naar een vluchtelingenkamp aan
de andere kant van de stad. Volgens de leiding zijn er tussen de
600 - 700 mensen uit Mogadishu, gevlucht voor het geweld. Ik hoor
verhalen van gruwelijke dingen die mensen tijdens hun vlucht hebben
meegemaakt. Ze zijn blij dat ze het vege lijf hebben kunnen redden.
Drie verschillende mensen vertellen ons dat het huis naast hen
verwoest werd door bommen en ander wapentuig. Ze weten hoeveel
mensen er in elk huis zaten, en dat ze allemaal dood zijn. Ze
praten over rennen zonder omkijken, hoe ze van hun kinderen,
echtgenoot en andere familieleden gescheiden zijn geraakt. En dat
ze nog steeds niet weten waar die nu zijn.
Zelfs als ze erin slagen de gevechten te
ontkomen, zijn ze niet veilig. De tocht uit Mogadishu is
gevaarlijk: op de wegen barst het van dieven en bandieten. Ze
blokkeren de weg en eisen geld voor doorgang. Als je geld is
opgeraakt pakken ze je eigendommen af. Tegen de tijd dat de meeste
mensen hier aankomen, hebben ze niets meer: alleen de kleren aan
hun lijf. Ons wordt verteld dat er zo'n 150 checkpoints zijn tussen
Mogadishu en Galkayo: een afstand van 750 kilometer. In principe
zou je die in een paar dagen kunnen afleggen, maar met alle
wegblokkades en doorzoeken van spullen duurt het 7 tot 12 dagen -
afhankelijk van de problemen die je ondervindt.
Soms is het moeilijk in woorden uit te drukken
wat je hier ziet en hoort. Als ik de verhalen woord voor woord voor
je zou herhalen zou je het idee hebben dat het hopeloos is. De
verhalen zijn ongelooflijk tragisch en het gaat om onvoorstelbare
harde omstandigheden. Maar als je met deze mensen praat word je
vooral geraakt door hun veerkracht. Deze mensen zijn gericht op
overleven: ze hebben geen tijd om stilletjes bedroefd te zijn, ze
zoeken werk en willen een leven opbouwen voor hun gezin.
Ik praat met een vrouw. Haar dochter was zes
maanden zwanger, bij aankomst kreeg ze een miskraam. Ze kende
niemand in het kamp. Iemand verliet haar eigen onderkomen en ging
bij een andere familie wonen zodat zíj, met haar kinderen, een plek
had. Ik weet niet of dat bij mij thuis zou gebeuren. In al deze
chaos tonen mensen ongelooflijk medeleven waar je jezelf
onbelangrijk bij voelt.
Woensdag 14 november 2007 -
opgewonden, nerveuze sfeer
Ik kijk om me heen: Galkayo is warm en
stoffig. Het is het decor van een prachtige dag in het ziekenhuis.
Ze zijn bezig met het inenten van mensen tegen mazelen en het
behandelen van patiëntjes voor ondervoeding. Het bruist van
bedrijvigheid. Het ziekenhuis is stampvol met moeders en kinderen,
meer dan 150. De kinderen zijn erg schattig, ik zou ze het liefst
willen oppakken en met ze spelen. Maar meestal gaan de kinderen
hier huilen als ze mijn gekke lichte huidskleur zien. Dus ik laat
mijn impuls voor wat het is.
Soms hoor je de gekste dingen als je 'in het
veld' bent. Zoals vandaag. Ik was op weg om met wat vrouwen te
spreken die uit Mogadishu zijn aangekomen, en kwam onze vroedvrouw
Sarah tegen. Met haar handen in de lucht riep ze me toe 'Goddank,
we hebben een fistel gevonden!!' Minder gek dan het lijkt. Ze
bedoelt dat ze blij is dat wij iemand kunnen helpen.
Een fistel is niet louter een medisch
probleem, de sociale gevolgen zijn niet te bevatten. Ten eerste
loopt er constant urine langs je been omlaag, elke dag, de hele
dag. Dus was je jezelf, en nog eens, en nog eens, maar je raakt de
geur niet kwijt. Vaak wil je man niets meer van je weten. Als je
geluk hebt neemt je familie je op. Maar vaker nog sturen ze je
vanwege de stank het huis uit en moet je onder een boom slapen. Of
soms word je compleet verstoten.
Er zijn vrouwen die helemaal niemand hebben.
Ze leven alleen, afgezonderd en vernederd. Het is ongelooflijk
tragisch, helemaal als je je bedenkt dat het voorkomen had kunnen
worden. Het team hier is al een paar weken bezig met het
onderzoeken van vrouwen die voor een fisteloperatie in aanmerking
komen. Er hangt een opgewonden, licht nerveuze sfeer in de lucht
rond de vroedvrouw en de chirurgen. Als de operaties met succes
worden uitgevoerd kunnen ze de levens van deze vrouwen
veranderen.
Dinsdag 13 november 2007 - fistels en
gevechten
Vandaag ben ik en route naar Galkayo, een stad
op de rand van een regio die Puntland genoemd wordt. Artsen zonder
Grenzen runt hier een groot ziekenhuis met een operatiezaal,
verpleegafdeling, polikliniek, spoedeisende hulpafdeling,
kinderafdeling. Ook zijn er behandelprogramma's voor tuberculose-
en ondervoede patiënten.
Ik reis mee met Deense chirurg Peter die hier
vier weken speciale operaties gaat doen: hij gaat fistels bij
vrouwen herstellen. Een fistel is een gat tussen vagina en blaas
waardoor urine ongecontroleerd loopt. Dit kan bijvoorbeeld
veroorzaakt worden als de weeën tijdens een bevalling erg lang
duren. Doordat het hoofdje van de baby tegen de bekkenwand slaat,
ontstaat zo'n gat.
Sommige vrouwen die nu naar ons toekomen om
een hersteloperatie te ondergaan hebben drie dagen weeën gehad. Een
van de redenen is dat meisjes hier in hun pubertijd trouwen; hun
lichamen zijn daardoor te klein voor een voorspoedige bevalling. De
sociale gevolgen van een fistel voor de vrouwen zijn enorm. En dat
heb ik het nog niet eens over de vroege dood van hun baby'tjes.
Ik hoor intussen dat Mogadishu geplaagd wordt
door problemen. De situatie is nog erger geworden. Onze oude
kinderkliniek is verlaten, iedereen vluchtte binnen een uur toen er
even een luwte was in de gevechten. Het personeel heeft de hele
kliniek verhuisd, en ondanks het feit dat de meesten zelf ook hun
huis moesten ontvluchten, hebben ze gezegd dat ze zullen blijven
werken.
Ik lees persberichten, nieuwsberichten en
oproepen die de aandacht vestigen op de vele mensen die Mogadishu
zijn ontvlucht. Zij moeten er erg aan toe zijn, absoluut, maar we
maken ons zorgen over de mensen die Mogadishu niet uit konden
komen. Drie dagen geleden is de markt gesloten, wat betekent dat
heel veel mensen geen bron van inkomsten hebben. Hoe komen ze aan
eten? Het is te gevaarlijk om je op de weg te wagen, zeker met de
blokkaden in de stad. Een kaartje voor een bus ligt buiten het
bereik van mensen die toch al weinig hadden. Dus nu zitten ze vast:
tussen armoede en onveiligheid.
Dinsdag 23 oktober 2007 - praktisch
alleen vrouwen
Vandaag vliegen we de stad uit. Twee dagen
eerder dan gepland, maar we zijn erin geslaagd het nodige te doen.
De politieke situatie raakt steeds meer gespannen met de aankomende
breuk tussen de president en de premier, wat betekent dat - bovenop
de bestaande onveilige situatie - het risico op politiek geweld
toeneemt. In feite zou dit betekenen dat het nog moeilijker wordt
voor de doorsnee burger om in Mogadishu te wonen. Maar zelfs als de
internationale medewerkers weggaan gaat het werk in de kliniek
door. Er is een complete, professionele Somalische staf aanwezig:
ervaren artsen, verpleegkundige en overig medisch personeel die de
kliniek zes dagen per week open houden.
Het internationale team zal snel terugkeren,
deze 'in-en-uit'-methode is hoe Artsen zonder Grenzen nu moet
werken. Het is niet de optie die onze voorkeur geniet, maar helaas
wel onze enige optie. Het is moeilijk om in Somalië te werken, dat
is denk ik wel duidelijk, maar het moet niet als onmogelijk worden
gezien. Als je rondkijkt en met mensen praat zie je dat er een
nijpende nood is aan meer rechtstreekse hulp (niet alleen medisch)
voor mensen in Mogadishu.
Op weg naar het vliegveld kunnen we even een
stop maken bij de mobiele hulppost. Het is zeldzaam dat je je
ergens - buiten onze verblijfplaats en kliniek - kunt begeven. Onze
mobiele hulppost bestaat in dit geval uit een klein minibusje met
een Artsen zonder Grenzen sticker op de zijkant, vol met de nodige
spullen (mooi is het misschien niet, maar het werkt). Het mobiele
team zet een tijdelijke kliniek op om de kinderen in het kamp te
behandelen. Vandaag is dat in een leeg en verlaten huis. Het kamp
is een typisch ontheemdenkamp zoals je dat veel in Mogadishu
aantreft: overbevolkt, chaotisch, kleine ronde tentachtige bouwsels
gemaakt van stokken, bedekt met een lappendeken van bedlakens,
lappen stof, ik ontwaar denk ik zelfs een geitenhuid.
De meeste bouwsels (maar niet allemaal) hebben
een stuk plastic zeil dat de bovenkant bedekt, hopelijk biedt dat
enige bescherming tegen regen. De aarde is rul, overal ligt afval.
Sommige onderkomens hebben een kleine omheining, op de grond van
het 'erfje' zitten moeders met hun baby's. Rondom hen hangt was te
drogen.
Er staat een rommelige rij van moeders met een
armvol kinderen. Sowieso zie ik praktisch alleen vrouwen. Er zijn
wel een paar mannen, maar het merendeel bestaat zeker uit vrouwen.
Tijdens mijn gesprekken zeggen sommige vrouwen dat de meerderheid
van hen hier alleen is met hun kinderen. De aantallen variëren,
maar ze zeggen dat de meeste vrouwen of gescheiden zijn, of dat hun
echtgenoten Mogadishu hebben verlaten om werk te zoeken of dat
sommigen de stad uit zijn vanwege de verschrikkelijke situatie en
dat ze niet weten waar ze nu zijn. De maatschappelijke impact van
jaren van geweld is een onderwerp dat ik nog niet heb aangeroerd,
en het vergt meer tijd om te bespreken dan er vandaag is.
Maandag 22 oktober 2007 - wat is je bescherming tegen zwaar
geschut?
Vandaag sprak ik met wat vrouwelijke patiënten
en een aantal van onze medewerkers over de verpleegafdeling. Ze
vertelden over hun ervaringen tijdens de bombardementen. Sommigen
keken me met een uitgestreken gezicht aan toen ik ze vroeg of zij
Mogadishu hebben verlaten toen de gevechten zo hevig waren een paar
maanden geleden.
Ik begin hun gelaatsuitdrukking te begrijpen,
het straalt iets uit van 'Dame, waar denk je dat wij heen kunnen
gaan? Het is niet alsof we ergens zomaar geld hebben liggen om even
de bus te pakken.' Het zijn natuurlijk niet hún woorden, maar soms
vraag ik me af of ze dit soort vragen belachelijk vinden. Hun
antwoord was nee. Nee, ze hebben de stad niet verlaten, ze
'verhuisden gewoonweg' naar een gebouw met een betonnen dak in hun
kamp omdat ze wisten dat de mortiergranaten een weg dwars door hun
provisorische onderkomens zouden scheuren.
Een van onze medewerkers was afgelopen dinsdag
aan het werk toen de gevechten dichtbij de kliniek kwamen. Die zag
hoe alle vrouwen met hun kinderen die toen in de verpleegafdeling
waren, zich van de ene naar de andere kant van het terrein repten -
naar de polikliniek die wat meer solide is. In de verpleegafdeling
kijk ik naar boven, ik zie een blikken dak, en ik kan me enkel
voorstellen dat het weinig bescherming zou bieden voor zwaar
geschut. De polikliniek heeft tenminste nog een dak van beton.
Het zet alles wel in perspectief. Zelfs als
Artsen zonder Grenzen tracht hulp te geven en een zekere
bescherming probeert te bieden, is ook de kliniek niet veilig voor
de mate van geweld die hier en nu realiteit is.
Zaterdag 20 oktober 2007 - hoe klein
de wereld kan zijn
Werd om één uur 's nachts met een klap wakker,
maar hoorde geen schoten dus ben ik weer naar bed gegaan. Bij de
ochtendmeeting van vanochtend was maar de helft van het personeel
er. Mij werd verteld dat er zoveel checkpoints rond en door de stad
zijn dat het wat langer duurt voordat ze in de kliniek kunnen
zijn.
We ontmoeten nog wat meer mensen uit een
andere kamp, zo krijgen we een beter overzicht wat er allemaal aan
de hand is en nodig is. Nog liever zouden we met nog meer mensen
uit verschillende hoeken spreken, maar we moeten roeien met de
riemen die we hebben. De vrouwen hebben hun kinderen meegenomen,
het zijn echt schatjes. Maar ze zijn wel stuk voor stuk in meer of
mindere mate ondervoed, dus na ons gesprek gaan de kinderen meteen
door voor behandeling.
Het hoogtepunt van de dag is dat een bus vol
met vrouwen en kinderen aan is gekomen. Ze zijn gestuurd door een
kamphoofd die afgelopen donderdag in onze kliniek is geweest.
Twintig van deze kinderen worden nu in de polikliniek behandeld, en
de vroedvrouwen vertellen me dat er tientallen zwangere vrouwen bij
zijn. Er is binnen niet genoeg plaats, ze zitten op de vloer of
wachten buiten tot ze aan de beurt zijn voor onderzoek. Het werkt
dus: aan sleutelpersonen vertellen dat wij er zijn zodat ze mensen
naar ons toe sturen, en dan kunnen de mensen die we behandelen het
weer aan een ander doorvertellen. Het past in de Somalische
vertelcultuur en nu zien we het in actie.
Het geeft aan hoe klein de wereld is voor de
allerarmsten. Nu is in feite bijna iedereen in Mogadishu een
vluchteling, het geweld door alle jaren heen heeft iedereen op de
vlucht doen slaan. Maar de mensen in de kampen in Mogadishu zijn
toch wel het ergst eraan toe. Stel je voor, de hele dag maak je je
zorgen: over hoe onveilig het is, hoe je jezelf en je kinderen moet
voeden. Des te moeilijker je het hebt, des te kleiner je wereld
wordt. Het wordt schier onmogelijk om om je heen te kijken en te
bedenken of en waar je medische hulp zou kunnen krijgen. En dat is
precies waarom we ook naar hén toe willen gaan.
Vrijdag 19 oktober 2007 - stilte voor
de storm?
Vandaag is de vrije dag in Somalië en het
voelt anders. Desalniettemin gaan we naar het kantoor, maar vanwege
schermutselingen op straat adviseert men ons terug te gaan. Ik
besluit mijn aantekeningen van de interviews uit te werken.
We hebben berichten gehoord dat mensen
Mogadishu hebben verlaten of dat ze naar de buitenrand van het
centrum zijn uitgeweken. Dokter Fuad zegt dat we het merken in de
kliniek: er komen minder mensen. Het heeft ermee te maken dat de
mensen die rondom de kliniek wonen, zijn gevlucht. Een grote wijk
in de buurt - door de mensen hier een sloppenwijk genoemd - was een
paar weken nogal zwaar gebombardeerd. Daarop hebben de meeste
mensen de wijk verlaten. In september behandelden we in totaal 88
patiënten, maar nu hebben we deze maand nog maar 17 patiënten
gezien.
Dat de mensen niet meer konden blijven
betekent niet dat ze geen hulp nodig hebben. Het is gewoon te
onveilig voor hen om naar ons toe te komen. Dat is nou concreet wat
het betekent om 'geen toegang tot gezondheidszorg hebben'.
Donderdag 18 oktober 2007 -
sceptisch
Gisterennacht was het ongelooflijk stil. Het
geeft ons een beetje hoop, en we zullen zoveel mogelijk gaan doen
tijdens dit bezoek.
Ons doel is om medische zorg te bieden aan de
meest kwetsbaren. Aangezien de mortiergranaten en kogels de mensen
om de oren vliegen is iedereen in feite kwetsbaar. Maar allereerst
richten we ons op kinderen en zwangere vrouwen. Dat betekent dat we
moeten zorgen dat mensen weten dat wij gratis zorg geven en dat we
er zijn. We vragen ons af of ze bij ons kunnen komen: hoe zit het
met het aantal checkpoints, hebben ze geld voor bus of taxi?
Zolang we zelf nog niet naar de kampen buiten
de stad kunnen, proberen we de mensen uit de kampen naar ons toe te
krijgen. Ik spreek met drie vrouwen: twee zijn er zwanger, de derde
heeft een baby van negen maanden oud. De zwangere vrouwen gaan voor
onderzoek naar de arts. Op het hoofdje van de baby zie ik littekens
van brandwonden. Omdat je voor bijna alle gezondheidsinstellingen
hier moet betalen, en mensen dat geld niet hebben, verlaten mensen
zich op traditionele geneeswijzen. Het baby'tje hoest, dus ook hij
gaat naar de arts.
Ik leg uit waarom we hier zijn. Twee willen
duidelijk graag vertellen, de derde kijkt sceptisch. Het verrast me
niet. De mensen in Somalië hebben zoveel mensen gezien die hier
komen om hulp te verlenen maar dat uiteindelijk niet doen vanwege
de onveiligheid. Mensen nemen vaak aan dat de Somaliërs blij zullen
zijn als ze een internationale hulporganisatie zien. De realiteit
is anders. Zoveel beloften, zo weinig resultaat. Ze hebben hier
zo'n ontzettend zwaar leven, ze geloven het pas als ze het met
eigen ogen zien.
Dan praten we over het leven in het kamp, hun
problemen. Een van onze vroedvrouwen tolkt. Ik wil weten hoe het
zit met seksueel geweld: we horen dat het gebeurt, maar ze komen
nog niet naar ons toe. De vrouwen geven voorbeeld na voorbeeld. Een
paar maanden geleden, toen de gevechten nog heviger waren, namen de
verkrachtingen toe, zeggen ze. Een tragisch patroon dat we over de
hele wereld zien. Reden voor ons om plannen te maken.
Woensdag 17 oktober 2007 - Dagelijkse
kost
Voorzichtig wagen we ons weer buiten. Het
blijkt dat een van de knallen de inslag was van een of ander
anti-vliegtuigwapen - er is een flinke hap uit de buitenmuur. In
alle richtingen zie je kleine hapjes in de muren. Wij hebben
tenminste nog muren, maar hoe zal het zijn in de kampen, of in de
duizenden huizen en krotten?
Elke dag begint met een 'security meeting',
wat inhoudt dat we met het hele team bespreken wat de
veiligheidssituatie is. Onze Somalische medewerkers wonen in
diverse delen van de stad en van hen krijgen we nieuws over wat er
in Mogadishu gebeurd is. Het gaat allemaal in het Somalisch, dus
pas als iedereen klaar is en de vertaler alles heeft samengevat,
zal ik weten wat er is gezegd.
Terwijl een van de artsen zijn verhaal doet,
buigt Jelle zich naar mij toe: 'Doorgaans is hij een man van weinig
woorden, dus nu moet hij wel iets ernstigs te vertellen hebben.'
Hoofden schudden. Ik bedenk me dat dit dagelijkse kost is voor hen.
De hele dag worden ze in de kliniek met gevolgen van geweld
geconfronteerd, en dan op weg naar huis nog eens.
Aan het einde van de meeting vraagt Jelle aan
de arts van weinig woorden of alles oké is. De arts vertelt dat hij
een vreselijke nacht heeft gehad. Hij en zijn familie hebben de
hele nacht op de vloer van het huis doorgebracht. Dan zegt hij:
'Het is goed dat Artsen zonder Grenzen naar Mogadishu is gekomen.
Dit is een moment dat je je verantwoordelijkheid moet nemen en ik
zou zelfs voor niets hier willen werken. Dit is de tijd voor
menselijkheid.' Ik weet niet wat ik nog toe kan voegen.
Dinsdag 16 oktober 2007 - aankomst
Zoals altijd heb ik een schrikbarend vroege
vlucht. De Cessna van 18 stoelen zit vol komende en gaande
collega's. Een jaar geleden reisde ik per auto, maar nu is dat geen
optie. Vanaf de lucht zie ik een indrukwekkende metropolis. Geen
teken van tien maanden gevechten: van kogels, raketten en
mortiervuur. Mogadishu is een kuststad, ik vraag me af hoe het er
in tijden van vrede was.
Mijn collega Jelle, projectcoördinator, en
dokter Fuad rollen bedreven door de gebruikelijke
vliegveldbureaucratie. Dan volgt een goed geoliede machine: diverse
mensen zorgen dat wij een veilige rit vanaf het vliegveld hebben.
Jelle vertelt over alle maatregelen die hij heeft getroffen, en ik
besef dat een rit van 15 minuten niet vanzelfsprekend is hier.
Onze verblijfplaats ligt op een steenworp
afstand van de kliniek, maar we nemen de auto: lopen is te
gevaarlijk. De rit duurt niet meer dan 30 seconden. Jelle stelt het
nieuwe gezicht (ik) voor en legt uit wat ik kom doen. Ik ben me
ervan bewust dat wat ik doe niet altijd even goed is te begrijpen.
Ik ben geen arts, verpleegkundige of verloskundige. We houden het
bewust kort want hoe later, hoe moeilijker en gevaarlijker hun reis
naar huis.
Tijdens het eten praten we over onze plannen
om de vele Somaliërs die gevlucht zijn en nog in het land zijn (in
jargon 'ontheemden') te bereiken. We zijn vol hoop dat we
binnenkort naar een van de kampen kunnen gaan. Het gesprek wordt
bruusk afgebroken bij het horen van geweerschoten. Op zich niet zo
uitzonderlijk, maar nu klinken ze dichtbij en volgen er zwaardere
knallen, mortiervuur denken we. Snel gaan we naar de safe
room, de schuilkamer met stevige muren en weinig ramen. De
knallen houden een uur aan, we speculeren wat er wordt afgeschoten
en wat er wordt geraakt. We luisteren aandachtig naar elk geluid.
Mobiele telefoons piepen en gaan af, net zoals in heel Mogadishu.
Iedereen probeert te weten te komen wat er gebeurt en na te gaan
waar je dierbaren zijn.
Terwijl ik dit schrijf, klinken er weer
knallen. We vragen ons af hoe wij hier dag na dag kunnen
werken.