Nu het geweld in de Congolese provincie Katanga
voorbij is, keren de vluchtelingen terug naar huis. In kampen rond
het dorpje Dubie zijn nog zeventig gezinnen over. Hun medische
noden zijn nog groot, de trauma’s niet verwerkt. Integendeel.
Nog geen jaar leefden geleden meer dan 4.300
gezinnen in de kampen bij Dubie. Ze waren hun dorpen ontvlucht voor
het geweld van de Mai Mai en het regeringsleger.
‘De vluchtelingen zijn getraumatiseerd. Ze
werden aangerand, geslagen, gevangen gehouden, seksueel misbruikt’,
vertelt Thérèse Banza. Ze was een aantal jaar hulpverpleegster in
het hospitaal van Dubie. Nu werkt ze in het psychosociale team.
In stukken
Thérèse hoort de meest vreselijke verhalen:
‘Mensen werden in stukken gesneden, gekookt en opgegeten.
Verschrikkelijk! Iemand opeten! Anderen werden gedwongen in de
jungle hout te halen waarmee ze een vuur moesten aanleggen waarop
ze uiteindelijk levend werden verbrand. Ik begrijp het niet…’
Het geweld heeft z’n sporen nagelaten en roept wraakgevoelens op.
Thérèse: ‘Mensen kunnen niets doen, want dan vliegen ze de
gevangenis in. De regering heeft beloofd dat ooit gerechtigheid zal
geschieden. Ik hoop het.’
Buren
Ook de Mai Mai proberen hun leven opnieuw op
te pakken. Slachtoffer en agressor leven nu verder samen als buren.
Thérèse: ‘Het is moeilijk te vatten. Maar de mensen kunnen niet
anders dan met de situatie te leren leven.’ De meeste vluchtelingen
kwamen naar de kampen na weken, soms na maanden, in barre
omstandigheden te hebben overleefd. Ondergedoken voor het geweld,
vaak in de jungle, slapend onder de blote hemel op de grond, zonder
kleren, zonder medische zorg, ondervoed, aan hun lot overgelaten.
‘We zijn dankbaar dat we hier in het kamp terechtkonden en hulp
kregen, maar het leven is hier moeilijk’, zegt Maome Kjungu
Kafutua. ‘Het zeil van de hutten is gescheurd: als het regent,
loopt het water naar binnen’.
Droom
Clara ontvluchtte haar dorp Michico, samen met
haar vier kinderen en haar echtgenoot. ‘Ik heb heel wat geweld
gezien. Zelf ben ik verkracht door drie militairen. Ik heb het
niemand verteld, ik schaamde me. Ook mijn man weet het niet. Ik ben
bang dat hij me zal verstoten. Wat verandert het als ik het mijn
man zou vertellen? Het waren militairen, daar kan hij niets tegen
doen. Ik ben er wel nog altijd niet goed van. Ik droom regelmatig
dat militairen me achterna zitten. Ik droom dat het weer oorlog is
en dat we moeten vluchten.’
Psychosociale zorg
Behalve medische zorg biedt Artsen zonder
Grenzen in en rond Dubie ook psychosociale hulp. En dat is nodig,
zoveel is duidelijk. Thérèse en haar collega’s van het
psychosociale team hebben nog veel werk voor de boeg. ‘Het is
belangrijk dat de mensen hun gevoelens uiten en het verleden
proberen te verwerken. Ik zie dat de gesprekken die we hebben de
mensen goed doen. Verzwijgen wat er gebeurd is, leidt tot
spanningen. Erover praten helpt hen verder te gaan. Het helpt het
verwerkingsproces en zo komt er uiteindelijk genoeg vertrouwen om
het leven weer op te pakken.’
Mei 2007