In Jonglei, Zuid-Sudan, worden veel mensen getroffen
door een spiraal van extreem geweld. Er vinden aanvallen en
tegenaanvallen ter vergelding plaats als onderdeel van een strijd
tussen twee verschillende groeperingen. Burgers - waaronder vrouwen
en kinderen - waterbronnen, ziekenhuizen en klinieken zijn het
doelwit. Meerdere plaatsen zijn het afgelopen half jaar
aangevallen, waaronder het dorp Lekwongolo op 27 december. Een
vrouw en een projectcoördinator van Artsen zonder Grenzen
vertellen.
Vrouw, 24 jaar: ‘Mijn enige kind is mij ontnomen’
‘Ons dorp was een van de eerste die werd
aangevallen. Wij, 2 vrouwen en ik, renden met onze kinderen, mijn
3-jaar oude dochtertje en hun zoontjes van 10 en 11 jaar oud, weg.
We konden alleen water voor de kinderen dragen, verder niets: geen
voedsel, geen kleren. Toen we ze dichterbij hoorden komen
probeerden we ons in het hoge gras te verstoppen. Maar ze hoorden
het gehuil van mijn dochtertje.
Ze pakten mijn kind en sneden de kelen van de
jongetjes voor onze ogen door. Toen zeiden ze tegen ons dat we
moesten wegrennen. We konden 10 meter rennen voordat ze begonnen te
schieten. De anderen waren op slag dood. Mijn been was geraakt en
ik viel. Ze kwamen op me af en schoten me in het hoofd om er zeker
van te zijn dat ik dood was. En zo lieten ze mij achter.
Maar de kogel was dwars door mijn wang gegaan.
Ik kroop naar de rivier om water te drinken en hield me daar
verscholen, helemaal alleen, in pijn. Ik wist niet waar de rest van
mijn familie was of wat er met mijn meisje gebeurd was, mijn enig
kind.
Na acht dagen besloot ik dat ik daar niet meer
alleen wilde blijven. Met een stok hielp ik mijzelf overeind en zo
heb ik twee uur gelopen tot ik bekenden tegenkwam. Zij hebben mij
verzorgd, zeven dagen lang. Ze vertelden me dat mijn moeder werd
vermist en zijn toen weggegaan om mijn familie te laten weten waar
ik was. Twee dagen later kwam mijn zwager. Hij droeg me terug naar
Lekwongole, drie dagen lang heeft hij met mij zo gelopen. Ik kon
niet meer, ik was zo moe en het deed zo’n pijn.
Toen Artsen zonder Grenzen naar Lekwongole
terugkwam hebben ze mij naar Pibor gebracht, naar het ziekenhuis.
De dag erop hoorde ik dat mijn moeder dood was. In mijn familie
zijn er tien mensen gedood: 4 vrouwen en 6 mannen. In mijn man’s
familie zijn er 8 gestorven. Het zoontje van mijn zus, 6 jaar oud,
is ook door hun meegenomen. Ik voel me zo alleen. Mijn enige kind
is mij ontnomen, mijn familie is dood.’
Karel Janssens, projectcoördinator: ‘De helft van de dorpen
is afgebrand’
‘Op 7 januari kwamen we terug in Pibor, na
geëvacueerd te zijn geweest. Op de weg zag ik dat de helft van de
dorpen is afgebrand. Een paar dagen later ging ik in Lekwongole
kijken. Onze kliniek was compleet afgebrand. De muren en de vloer
zijn er nog, maar de rest van de kliniek is afgebrand, naar buiten
gegooid, het is één grote chaos. Het is een spookdorp geworden. Er
staat geen hut meer overeind. Het enige wat je ziet zijn wat
zwerfhonden, een paar vogels en wat mensen die ronddwalen.
Drie dagen geleden zijn we teruggegaan met een
medisch team en sindsdien hebben we mensen verzorgd, in de omgeving
van Lekwongole. Ze durven niet terug te gaan, ze durven er niet te
blijven. Er is niets om naar terug te gaan en ze zijn bang voor
nieuwe aanvallen. Overdag verlaten ze hun schuilplaats in de bossen
op zoek naar voedsel en medische hulp. En ’s nachts gaan ze terug,
met het risico ziek te worden.’
In de Pibor-regio biedt Artsen zonder Grenzen medische zorg
in een klein ziekenhuis in Pibor, een kliniek in Lekwongole en een
kliniek in Gumruk. Deze 3 voorzieningen bij elkaar zijn de enige
vorm van gezondheidszorg voor de 160.000 inwoners in de
regio.
Januari 2012
Lees meer over onze
hulpprojecten in Zuid-Sudan