Tienduizenden mensen hebben het leven gelaten in een
jarenlange burgeroorlog. De spanningen tussen de Singalese
meerderheid en de Tamil-minderheid in het noorden en het oosten van
het land, zijn getekend door geweld. Het Srilankaanse leger en
Tamiltijgers - die strijden voor een onafhankelijke Tamilstaat –
voerden meer dan 25 jaar lang een guerrilla-achtige oorlog. Het
Vanni-gebied, in het noorden, was lange tijd in handen van de
Tamiltijgers. In 2006 waren er vredesbesprekingen, maar deze
mislukten. In januari 2009 wist het Srilankaanse leger, na
maandenlange offensieven, het Vanni-gebied grotendeels te
veroveren. In mei verklaarde de overheid de oorlog officieel
beëindigd te hebben.
Oorlogsgebied
Tussen de 200.000 en 300.000 mensen konden
maandenlang niet wegkomen uit het oorlogsgebied, waar er een tekort
aan voedsel, drinkwater en medische zorg was. Eind januari 2009
kreeg het Internationale Rode Kruis pas toestemming zieken en
gewonden – per boot, voor de kust - uit het gebied te halen. In
februari wisten zo'n 35.000 mensen het gebied te ontvluchten, in
april volgden er nog eens 60.000 en in mei kwamen hier
tienduizenden bij: 10.000 per 24 uur in de laatste paar dagen van
offensief. Eind mei bevonden naar schatting meer dan 275.000 mensen
zich buiten het voormalige conflictgebied. Het merendeel verblijft
nu in opvangkampen in en rondom de stad Vavuniya. Mensen vertelden
verhalen over dagenlange bombardementen en vele doden en gewonden.
De mensen zijn getraumatiseerd, uitgeput en veelal gewond; vaak
zijn de wonden oud, en ontstoken. Velen zijn verminkt geraakt door
bommen, kogels en mijnen.
Terug naar plaats van herkomst
Honderdduizenden mensen die hun dorpen in het
noorden van het land waren ontvlucht en sindsdien in overbevolkte
kampen verbleven, konden in de loop van 2010 terug naar hun plaats
van herkomst. Maar velen lijden aan psychische trauma’s als gevolg
van conflict en de voortdurende spanningen die met de
herhuisvesting gepaard gaan.
5 april 2012