Rode koontjes

afbeelding van Josine Blanksma

Josine Blanksma

tropenarts

Zaterdag in Baraka. Het weekend is nog niet begonnen, want hier werken we de zaterdag gewoon door. De dag start om acht uur ‘s ochtends met de wekelijkse expat-vergadering. Samen met mijn acht collega’s zitten we samen in onze paillot: een rieten dak op palen waaronder we een soort woonkamer hebben gemaakt. De grote vierkante kussens op de banken en stoelen zijn bedekt met kleurige stofjes van de lokale markt. Sommige van de expats kijken met hun slaperige hoofden nog wazig voor zich uit, terwijl de ochtendmensen onder ons al vrolijk door elkaar kwekken. Ben door de maanden heen toch wel gaan houden van dit team. Je bent letterlijk 24/7 samen en volledig op elkaar aangewezen. Dit is niet altijd makkelijk… Er zitten meestal wel personen tussen met wie je het goed kan vinden en meteen de beste maatjes wordt. Met anderen lig je binnen een mum van tijd in de clinch. Maar het is mooi om te zien hoe het uiteindelijk iedereen wel lukt om zich een plaatsje in de groep te veroveren en een manier vindt om het goed met elkaar te hebben. Het doet me een beetje denken aan mijn oude studentenhuis waar ik ook drie jaar lang met vijftien mensen boven op elkaar leefde. Niet altijd even makkelijk, maar uiteindelijk was het vooral een heel warm nest!

 

Tijdens de expat-vergadering worden we door de project coördinator gedetailleerd op de hoogte gebracht van de veiligheidssituatie in de regio: bijvoorbeeld welke wegen we kunnen nemen en welke we moeten ontwijken wegens incidenten met gewapende groeperingen. Verder bespreken we de situatie in het ziekenhuis, hoe het ervoor staat met de voorraden, welke verbouwingen gepland zijn en vraagt iemand of iedereen er echt aan wil denken zorgvuldig de wc-pot te borstelen na gebruik van het toilet (weer denk ik even terug aan de befaamde huisvergaderingen in mijn oude studentenhuis.

 

Om een uurtje of tien loop ik, door de inmiddels brandende zon, naar het ziekenhuis. Op straat word ik meerdere keren begroet met ‘Jambo doctor!’. Na ruim een half jaar in dit stadje ben ik geen onbekende meer hier. M’n hart maakt een sprongetje, ik krijg er rode koontjes van. Het voelt toch zo langzamerhand echt een beetje als een tweede ‘thuis’ hier.

 

In het ziekenhuis zoek ik mijn collega-arts op die weekenddienst doet. Hij blijkt druk in de operatiekamer te zijn met een keizersnede. Ik loop een snelle ronde over de verschillende kinderafdelingen. Die liggen meer dan overvol. Het malariaseizoen heeft nog nooit zo’n hoge piek gekend als dit jaar. Op de kinderafdeling liggen maar liefst 170 kinderen opgenomen in totaal zo’n 50 bedden… Dat betekent 3 tot 4 zieke kinderen per bed! Samen met de verpleegkundigen van de verschillende zalen lopen we de bedden langs en selecteren we de minst zieke kinderen die naar huis kunnen. Het belangrijkste criterium is dat ze goed genoeg opgeknapt zijn om pillen te nemen in plaats van medicijnen via het infuus. Ondertussen stromen alweer vele nieuwe malariagevallen via de polikliniek binnen. De verpleegkundigen rennen zich een rotje om iedereen van infusen en medicatie te voorzien, temperatuur te meten, hartslagen en ademhalingsfrequentie te tellen en indien nodig bloedtransfusies te regelen. Als er patiënten onderuit gaan moeten ze een overplaatsing naar de Intensive Care regelen, die overigens inmiddels ook uit zijn voegen barst… Diep respect heb ik voor deze keihard werkende verpleegkundigen die zich dag-in-dag-uit, jaar-in-jaar-uit een slag in de rondte werken. Op momenten dat mij de moed soms in de schoenen zakt en ik door de bomen echt het bos niet meer zie, weet ik me door hun opgewektheid, geduld en uithoudingsvermogen vaak weer opnieuw gesterkt. Ik kan me daar enorm aan optrekken. Gouden mensen!

 

Een verpleegkundige vraagt mij met hem mee te lopen naar een isolatiekamertje. Op de grond ligt een matras met daarop een baby van 10 maanden met mazelen. Daarnaast heeft het kindje ook nog ernstige bloedarmoede na een reeds doorgemaakte malaria-infectie. Ik kijk snel in de oogleden van de patiënt en constateer dat die inderdaad schrikbarend bleek zien. Hij is nog maar net bij bewustzijn en haalt akelig snel adem. De vader kijkt me verwachtingsvol met grote ogen aan. Aangezien de verschijnselen van de mazeleninfectie al meer dan een week geleden begonnen zijn, kan het kindje niet meer andere patiënten besmetten en neem ik het besluit dat de isolatie niet langer nodig is. Hij kan het beste worden overgeplaatst naar de Intensive Care zodat hij in elk geval wat zuurstof kan krijgen via een neusbrilletje. Daar begrijp ik dat een paar uur ervoor al met spoed een bloedtransfusie is besteld bij het laboratorium, maar dat het kindje de grote pech heeft een moeilijke bloedgroep te hebben: O-negatief. Dat is een zeldzame bloedgroep die je alleen maar bloed kan geven van iemand anders met precies dezelfde zeldzame bloedgroep. En die hebben we helaas niet op voorraad in onze koelkast…

 

Ik loop naar het gebouwtje toe wat als laboratorium fungeert en hoor daar dat ze er al hard mee aan de slag zijn. Ze hebben een lijst met vrijwillige bloeddonoren in de stad waarvan er eentje gelukkig O-negatief is. Iemand is inmiddels al op de fiets gesprongen om hem te gaan halen. Ruim een uur later wordt het nog warme zakje levensreddende bloed afgeleverd bij de Intensive Care. Ik haal opgelucht adem als ik zie hoe het bloed langzaam het zieke lichaampje indruppelt. Het lijkt wel alsof het kindje direct weer een beetje kleur krijgt, maar dat kan ik mij ook verbeelden…

 

In de namiddag zit ik nog een paar uur achter mijn computer voor administratief werk. Ik heb de taak om de patiëntendossiers van alle patiënten die de maand ervoor in het ziekenhuis overleden zijn minutieus te bestuderen en analyseren. Het is niet mijn favoriete werk, maar ik vind het wel belangrijk. Op deze manier krijg ik een beter idee wat er in het ziekenhuis gebeurt en of er bepaalde dingen voor verbetering vatbaar zijn. Deze kan ik dan onder de aandacht brengen bij de juiste personen. Ook kunnen we trainingen daarop aanpassen. Zo proberen we de zorg steeds een beetje te verbeteren.

 

‘s Avonds is het weekend dan wel echt aangebroken. Als ik met mijn “expatfamilie” rond de etenstafel zit, maken we plannen om uit te gaan. We pakken ons met z’n allen samen achter in de landcruiser: na 18 uur dicteren de veiligheidsregels dat we niet meer te voet de compound mogen verlaten. Onze chauffeur Joseph lacht als hij de vrolijke groep balorige blanken 100 meter verder bij de enige dansclub in town afzet. De salarissen zijn net uitbetaald dus het is er stampend druk. Onder de blote sterrenhemel staan tientallen plastic tafeltjes waar mensen gemoedelijk bij elkaar zitten. Onder een afdakje is een ronde dansvloer met discolichten en enorme gettoblasters waar vrolijke Congolese muziek uitschalt die tot het volgende dorp te horen is. Met hun gezicht naar de metershoge spiegel staan er tientallen mensen uit hun dak te gaan, terwijl ze zorgvuldig hun eigen heupbewegingen in de spiegel bestuderen. Het is een hilarisch maar prachtig gezicht. Een half uur later staan wij er ook en probeer ik, tot grote hilariteit van mijn Congolese vrienden, hun soepele heupbewegingen na te doen met mijn houterige Nederlandse lichaam.

 

Als we een paar uur later weer ‘thuis’ zijn, zit ik in mijn eentje nog even in de deuropening van mijn tukul na te genieten van de avond. De nacht is nog steeds zwoel genoeg om in m’n hemdje daar te zitten. Er steekt een lekker fris briesje op. M’n wangen gloeien. De hemel is geloof ik nog nooit zo helder en vol sterren geweest, maar ook dat kan ik mij verbeelden…

Sluit zoeken

Zoekveld