Artsen zonder Grenzen ziekenhuis bij de Sobatrivier in Nasir, Zuid-Sudan  © Brendan Bannon

‘Nog geen 6 uur oud en op de vlucht voor geweld’

afbeelding van Patricia van der Dennen

Patricia van der Dennen

Verloskundige

Na 3 maanden de kraamafdeling in Nasir, Zuid-Sudan, gerund te hebben is het bijna tijd voor verloskundige Patricia van der Dennen om terug naar Nederland te gaan. Dan nadert de frontlinie.

Missen

Ik zal het gaan missen ons ziekenhuisje in Nasir. Een klein - maar functioneel - geheel van lage, losse gebouwtjes her en der over het terrein verspreid. Moeilijk te vergelijken met de georganiseerde opzet van de hoge gebouwen van Nederlandse ziekenhuizen. Ook de collega’s, de patiënten, de zwangeren met hun dikke buiken, wachtend op hun beurt, tussen de mannen in het gips met hun krukken. De bolle, opgeblazen buikjes van de ondervoede kindjes, spelend in het gras tussen de schapen of aan het dollen met het water bij de waterpunten. Ik zal het allemaal gaan missen. Ik ben in de laatste 2 weken van mijn missie en bezig met overdragen aan mijn opvolger Ileana. De laatste dagen waren er nog veel complexe gevallen: een baby die gereanimeerd moest worden, een bloeding na een miskraam, een baby die te vroeg was geboren, de bevalling van een vrouw waarbij de navelstreng te vroeg naar buiten was gekomen waardoor het leven van de baby in gevaar kwam. Maar we zijn een sterk team en gelukkig ging alles goed. Ik dacht ‘het kan niet erger worden, nu hebben we alles gehad’.

 

Patricia van der Dennen met collega Gatlat, eerder in april 2014, met een zwangere vrouw in het ziekenhuis van Artsen zonder Grenzen in Nasir, Zuid-Sudan. © Adriane Ohanesian

 

1 mei

Vijf uur ‘s middags: ik ben bezig met mijn overdracht aan mijn opvolger Ileana als we opgeroepen worden te verzamelen. Dan komt het nieuws: de gevechten komen dichterbij. Een kernteam van vier blijft achter om te zorgen dat alle patiënten ontslagen worden en brengt onze Zuid-Sudanese medewerkers op de hoogte. De rest, wij, krijgen een kwartier om onze vluchttas uit onze hutjes op te halen. Ik pak mijn spullen, in een roes beseffend dat het menens is. Zodra ik de motoren van de boten hoor starten, gaat mijn hart tekeer. Er is geen twijfel mogelijk. We vertrekken. Ik pak mijn tas en zet het op een lopen.

 

Daar gaan we, de Sobatrivier op terwijl de duisternis inzet. Bij een dorpje waar een andere organisatie een kliniekje runt, stoppen we, we mogen daar blijven. 

 

Twee dagen later

De satelliettelefoon gaat en ik word geroepen. Er is een vrouw in ons ziekenhuis aangekomen en de achtergebleven dokter en verpleegkundige vragen om advies. Ze is aan het bevallen, twee centimeter ontsluiting, maar ze heeft ook stuipen. De telefoonverbinding laat te wensen over, maar wat ik ervan begrijp is dat ze willen weten of ze de weeën met medicijnen moeten stimuleren. Ik vraag om meer informatie: hoe lang is ze al aan het bevallen, hoe lang heeft ze stuipen, wat is haar bloeddruk? Materialen en medicijnen zijn in veiligheid gebracht; de bloeddrukmeter zit dus opgeborgen in een van de vele kisten en moet gezocht worden. Omdat ik een ernstige vorm van zwangerschapsvergiftiging vermoed, wat levensgevaarlijk kan zijn voor moeder en kind, adviseer ik magnesiumsulfaat toe te dienen. Ze vermoeden ook nog bloedvergiftiging en een mogelijke ademstilstand. Dan zeggen ze dat ze het verkeerd hebben doorgegeven: ze heeft niet 2, maar 9 centimeter ontsluiting.

 

Plan

In razend tempo bedenk ik een plan: onze chirurg en ik zijn hier. De patiënte in Nasir. Moet zij op de boot naar ons toe terwijl ze die tocht misschien niet zal overleven? Of gaan wij terug terwijl een aanval op komst kan zijn? Na snel over en weer overleg wordt besloten dat wij naar Nasir gaan. Overvolle boten met hoog opgestapelde huisraad komen ons tegemoet. Alleen wij varen in tegengestelde richting. Zelfs de vogels lijken de andere kant op te vliegen. 

 

Sobatrivier, foto uit 2007 © Sven Torfinn

 

Leeg en stil

Bij aankomst komt de verpleegkundige me tegemoet: de vrouw is bevallen, zowel moeder als kind leven. Ik loop het ziekenhuisterrein op. Zo leeg heb ik het hier nog nooit gezien: geen patiënten, geen personeel, geen schapen. Niks. Leeg. Stil. De verloskamer is donker en er ligt her en der wat materiaal verspreid. De patiënte ligt op de grond op een matras. Vanwege de stuipen was ze tot twee keer toe van het smalle verlosbed afgevallen. Ik zie Simon, de Zuid-Sudanese collega uit mijn team die de registratie doet. Van de arts hoor ik dat hij van grote hulp was. Ik had niet anders gedacht, hij is een geweldige man. Hij heeft na ons vertrek de kraamafdeling opgeruimd en afgesloten. Hij is zelfs thuis hangsloten gaan halen om alles te kunnen afsluiten.

 

Verloskundig slagveld

Ik voel me compleet verslagen in het verloskundig slagveld waar ik me in bevind. Waar moet ik beginnen? Simon helpt mij de vrouw in een bed te leggen. In mijn hoofd maak ik een prioriteitenlijstje: antibiotica voor de baby, medicatie tegen de insulten en tegen infecties voor de moeder, hartslag, bloeddruk en dergelijke opnemen. Net als ik een infuus en de magnesiumsulfaat heb bereid, schiet de vrouw in een insult. Ik baal, met deze hevige stuiptrekkingen kan ik geen infuus prikken. Ik kan even niet anders dan afwachten. Zodra het kan prik ik een infuus en sluit ik de medicatie aan.

 

Vertrekken, nú

De baby heeft net medicatie gekregen, als het infuus met antistuipenmedicatie voor de moeder leeg is. Dan roept teamleider Azat mij op mijn walkietalkie op: ik moet nú het ziekenhuis verlaten. We vertrekken, nú! Met zijn allen deze keer en de patiënte gaat mee. Ik heb een zwaar hart als ik besef dat sommige van onze Zuid-Sudanese medewerkers niet meegaan. Ze blijven achter in deze onrust. Zal het goed met ze gaan? Zullen ze veilig met hun familie wegkomen?

 

Vluchten

Verdoofd stap ik in en installeer ik me naast de patiënte. Haar moeder zit ook in de boot en houdt de baby gewikkeld in een bundel doeken vast, ze heeft nog een jongetje van tien en een meisje van twee bij haar. Naast de overvolle boten op de rivier zijn nog velen te voet op de vlucht. Een heel spoor van mensen achter elkaar op de oever, hele huisraden op hun hoofd, op hun rug. Het infuus met medicatie is leeg, ik heb geen materiaal bij me om een nieuw infuus te maken. De herrie van de motor en het gebuts van de boot op het water kunnen haar opnieuw stuipen doen krijgen. Het is niet ideaal, maar we kunnen nu niks anders dan de situatie accepteren. Ik neem de baby over van de vrouw en denk: ’Hoe oneerlijk kan het zijn, je komt net kijken in de wereld en nog geen 6 uur oud ben je al op de vlucht voor geweld.’

 

Nawoord

De vrouw en haar kind zijn de reis en de nacht erop goed doorgekomen en hebben zich bij hun familieleden in Jigmir gevoegd. Patricia is inmiddels terug in Nederland: ‘Over een tijd zal ik mij opnieuw aanmelden voor een missie. Want ik weet dat ik wezenlijk verschil kan maken doordat ik er ben. Door er zelf te zijn, maar ook door lokale medewerkers te trainen. Zodat ook zij het verschil kunnen maken.’

 

September 2014

Sluit zoeken

Zoekveld