Bye Bye Baraka

afbeelding van Josine Blanksma

Josine Blanksma

tropenarts

Plotseling is hij daar: de Laatste Week. Het overvalt me eigenlijk een beetje. Ik had net het gevoel dat ik er lekker in zat. Dat ik het ziekenhuis van buiten en binnen kende, wist op welke collega’s ik kon bouwen en wie ik met een korreltje zout moest nemen. De laatste zaterdagavond organiseer ik een afscheidsfeest in een lokale bar. Alle medewerkers van het ziekenhuis zijn uitgenodigd. Met stukjes tape hang ik de aankondiging op aan de golfplaten deur van het ziekenhuis. Een aantal verpleegkundigen komt verongelijkt naar me toe. Is het echt waar? Ga ik nu alweer naar huis? Maar ik ben er nog maar net! Ik besef dat het voor hen ook niet makkelijk is: elke keer als ze net aan een expat gewend zijn, gaat die weer weg en wordt vervangen door een nieuwe. Ik verontschuldig me met een timide stemmetje, maar dat afscheid nemen nou eenmaal bij het leven hoort en dat ik ook inmiddels wel zin heb om mijn familie weer te zien. Familie is altijd een sterk argument hier; instemmend wordt er geknikt.

De lokale bar die ik heb afgehuurd voor het feest, is een grasveldje buiten waar rijen plastic stoeltjes staan opgesteld met als middelpunt de bar. Als ik om acht uur ‘s avonds het terrein op loop is het pikkedonker. Ik zie zo’n 150 mensen zitten op de stoelen. Enkele gloeilampjes geven een vaag schijnsel over de menigte, maar niet genoeg om gezichten te herkennen. Ik ga op één van de stoelen op de voorste rij zitten en krijg van de ceremoniemeester het programma te horen: eerst zijn er de speeches, dan mag iedereen een drankje halen en tenslotte zal de gettoblaster op volle sterkte worden gedraaid en is het tijd om te dansen. Hij zal ervoor zorgen dat alles in goede volgorde zal verlopen. Voor de speeches moeten we eerst wachten op de rest van het expat-team. Een aantal van hen is nog achtergebleven op onze thuisbasis omdat ze zich nog moesten optutten, omkleden, plassen etc… Ik merk dat de mensen onrustig op hun stoeltjes beginnen te schuiven en begin me zelf ook een beetje ongemakkelijk te voelen. Gelukkig komen na een half uurtje dan ook de laatste mensen binnen sloffen. Het feest kan beginnen!

 

De afgetrap wordt gegeven door de Medisch Directeur van het ziekenhuis. In zijn speech vallen mooie woorden. Brok in mijn keel. Na nog meer vriendelijke woorden van diverse mensen is het mijn beurt om naar voren te komen. In mijn hakkelende Frans improviseer ik wat, terwijl ik glazig naar de vaag verlichte groep mensen kijk. Ik kan ze niet onderscheiden, maar weet dat ze daar allemaal zitten: de verpleegkundigen die dag-in-dag-uit zich een slag in het rondte werken in het overvolle ziekenhuis; de schoonmakers die met hun emmers sop onophoudelijke alle pies- ontlastings- en bloedsporen wegzwabberen; de bewakers die mij elke dag zo vrolijk begroetten als ik de ziekenhuispoort binnenliep en tenslotte natuurlijk mijn collega-artsen die soms heel lastig waren om mee samen te werken, maar die uiteindelijk ook maar probeerden er het beste van te maken… Ik besef meer dan ooit hoe bevoorrecht mijn positie is: voor mij was dit alleen maar een mooi avontuur. Maar ik mag ik weer terug naar het veilige, comfortabele Nederland. Deze mensen, met wie ik zo nauw heb samengewerkt, hebben die keuzes niet. Allemaal dromen ze ervan ooit eens een kijkje te komen nemen in “Het Westen”. Maar zelfs voor diegenen met de beste opleiding en een portefeuille vol geld, zal dit waarschijnlijk altijd een utopie blijven .

 

Na de toespraken barst het feest los, zoals dat alleen in Congo kan. Er wordt uitbundig gelachen, gedanst en gedronken. Helaas moeten we als expats het feest alweer voortijdig verlaten vanwege de strenge avondklok. Vanuit onze thuisbasis horen we in de verte de muziek nog urenlang doorgaan.

 

De dagen erna vliegen voorbij. Op zondag gaan we voor de laatste keer zwemmen in het duizelingwekkend diepe Tanganyika-meer. Drijvend op mijn opblaas-krokodil, onlangs nog gekocht op een Amsterdamse rommelmarkt, kijk ik naar het bergachtige landschap aan de horizon. Nu al word ik overmeesterd door nostalgie. Zal ik ooit de kans krijgen om hier terug te komen?

En dan is er die laatste dag in het ziekenhuis: een aai over de bol van je favoriete patiëntje, nog even een ronde over alle afdelingen, de laatste omhelzingen en nog meer woorden van dank aan je naaste collega’s. Op de middag voor vertrek komen er nog een aantal mensen langs om persoonlijk afscheid te nemen. Een van de artsen brengt me een boodschap namens alle collega’s in het ziekenhuis: hun belangrijkste hoop is toch wel dat ik maar heel snel mag trouwen en een schare kinderen mag baren. Ik grinnik, ze snappen er hier nog steeds niets van: een ongehuwde vrouw van 30 jaar die in haar eentje de wereld over reist.

 

De laatste avond heeft nog een rare wending. Terwijl we met het expat-team buiten onder onze paillot gezellig bij elkaar zitten en proosten op een geslaagde missie, klinken er ineens schoten in de verte. Met z’n allen duiken we op de grond. De muziek wordt uitgedraaid. Terwijl ik vloekend op de betonnen vloer lig, merk ik dat er maar een gedachte door mijn hoofd gaat: het zal toch niet waar zijn dat de rebellen juist nú het stadje moeten binnenvallen en dat ik morgen niet kan vertrekken? Gelijk realiseer ik me wat een krankzinnige gedachte dat is. Congo doet rare dingen met je…

 

Gelukkig blijkt het allemaal mee te vallen. Als we een half uurtje in de ‘safe room’ hebben doorgebracht, komen er via verschillende kanalen berichten binnen dat het een gewapende overval was, waarbij alleen verschillende keren in de lucht geschoten is. Er zijn geen gewonden en de daders zijn reeds gepakt. Enigszins beduusd schenken we nog een glaasje in en proosten nog maar eens op de goede afloop.

 

In de vroege morgen loop ik onder begeleiding van twee collega’s naar de oever van het meer, waar ons speedbootje al klaarligt. Onderweg rennen tientallen kinderen op blote voeten en smoezelige T-shirts een eindje met ons mee. Bye bye Mzungu! Bye bye! Ik zwaai enthousiast terug. Over mijn eigen bagage heen, klim ik in het bootje. De motor wordt aangezet en binnen enkele minuten zie ik Baraka aan de horizon verdwijnen. Mijn hart klopt in mijn keel. De gevoelens zijn heftig en tegenstrijdig. Aan de ene kant merk ik een enorme opluchting dat het allemaal voorbij is: missie volbracht! Het is een heerlijk idee dat ik zeer binnenkort mijn geliefden weer in de armen kan sluiten, mijn eigen huisje weer kan bewonen, met vrienden het Amsterdamse nachtleven in kan duiken, nieuwe plannen kan maken voor een nog ongewisse toekomst… Aan de andere kant laat ik alles hier ook weer achter, het leven waar ik zo gewend aan ben geraakt. Het was misschien niet altijd even comfortabel, maar ik ben er van gaan houden. Paradoxaal genoeg was het op een bepaalde manier juist heel veilig en overzichtelijk: het doel duidelijk, de band met de mensen om me heen sterk en vanzelfsprekend, de dagen vol en zwaar maar met zoveel voldoening. Mooier werk kan je je als arts eigenlijk niet wensen. Als klap op de vuurpijl nooit gezeik van de belastingdienst en geen moeilijke keuzes tussen vijftien soorten tandpasta in de supermarkt. Om maar wat te noemen…

 

Als ik 48 uur later doodmoe door de aankomsthal op Schiphol loop, doen m’n ogen pijn van alle felle lichtreclames. De tegenstrijdige gevoelens zijn er nog steeds. Natuurlijk ben ik blij mijn lief te zien op deze heldere Hollandse lenteochtend. Maar ik merk ook dat Nederland me overvalt: de kille snelweg, de kale landschappen, de chagrijnige koppen achter het stuur, de koele atmosfeer… Dit gevoel blijft nog dagen aanhouden, eetlust heb ik nauwelijks en slapen doe ik slecht. Maar alles went, en na ruim een week merk ik dat ik weer heel langzaam mezelf begin terug te vinden en daarmee ook mijn levenslust. Josine is weer thuis.

Sluit zoeken

Zoekveld