Een onverwachte wending met een magisch randje

afbeelding van Josine Blanksma

Josine Blanksma

tropenarts

Het is een doodgewone donderdagochtend. Met mijn drie Congoleze collega’s verdeel ik onderling de verschillende zaalvisites. Met z’n vieren staan we voor het grote whiteboard dat aan de buitenmuur van de artsenkamer hangt, waarop we elke dag aangeven wie verantwoordelijk is voor welke afdeling. Er liggen in totaal 247 patiënten opgenomen, verdeeld over 11 afdelingen. Ik word ingedeeld voor twee kinderafdelingen, waar op het moment zo’n zestig kinderen liggen.

 

Ik doe m’n stethoscoop om mijn nek, klip mijn radio (een soort walkietalkie) aan m’n heuptasje en loop in de brandende zon naar mijn afdeling toe. Als ik het gebouwtje binnenloop merk ik nauwelijks nog de doordringende geur van urine, diarree en muffe matrassen op. Na zes maanden ben ik die inmiddels wel gewend. Ook het lawaai die 30 kinderen met hun moeders, opeengepakt in een kleine ruimte maken, kunnen mijn hersenen inmiddels reduceren tot een soort achtergrondgezoem. De verpleegkundige kijkt met een vriendelijke glimlach van zijn werkzaamheden op als ik hem zachtjes op de schouder tik. Het is één van mijn favorieten: Alumasi. Een kleine tengere man van een jaar of zestig met altijd een leesbrilletje op het puntje van zijn neus. In een van de glazen zit een barst, maar dat lijkt hem niet te deren. Hij ‘doet’ vandaag in z’n eentje een hele afdeling van 30 kinderen. Ik vraag hem over nog ‘particularité’s’ zijn vandaag, oftewel patiënten die extra aandacht behoeven. Hij wijst naar het achterste bed. Daar ligt een jongen van drie met hoge koorts, vannacht opgenomen met een malaria-infectie. Hij blijft maar epileptische aanvallen houden, is buiten bewustzijn en heeft twee keer overgegeven. Ik neem met hem alle handelingen door die hij tot nu toe gedaan heeft. Samen besluiten we dat het beter is om het kind naar de Intensive Care te brengen, waar hij beter in de gaten kan worden gehouden en sneller kan worden ingegrepen als dat nodig is.

 

Terwijl ik even later één voor één alle bedden langs ga hoor ik Oliver, de Duitse expat-verpleegkundige, mij oproepen door de radio. Of ik snel naar de chirurgie-afdeling kan komen: er ligt daar een gewonde patiënte die mogelijk met spoed overgeplaatst moet worden. Ik excuseer mij naar Alumasi en loop buiten langs naar de chirurgie-afdeling. Daar vind ik Oliver in het achterste kamertje naast een vrouw met een van pijn vertrokken gezicht. Ze blijkt drie afschuwelijk uitziende schotwonden te hebben, waarvan er twee door de rechterzijde van haar borstkas zijn gegaan en één door haar hand. Ze is benauwd, maar bij bewustzijn en houdt het wonder boven wonder toch goed vol met het beetje zuurstof dat we haar kunnen geven. Ik onderzoek haar snel met mijn stethoscoop en vermoed dat haar rechterlong geraakt is door een van de kogels. Ik besef dat haar leven in gevaar is, maar dat we hier zonder röntgenapparaat of chirurg weinig voor haar kunnen doen. Via mijn radio roep ik de Canadese projectcoördinator op en vraag haar of het mogelijk is een spoedoverplaatsing te regelen per auto of boot. Ze gaat het proberen.

 

Het heeft nogal wat logistieke voeten in de aarde, maar uiteindelijk lukt het om alles rond te krijgen. Twee uur later zit ik in onze speedboot op het Tanganyika-meer. Op een bruin plastic matras voor me ligt de vrouw. Het waait flink en er zijn behoorlijk wat golven op het water. We hebben voor vertrek de patiënte nog gauw een bloedtransfusie en een flinke dosis pijnstilling gegeven. Desondanks heeft ze veel pijn elke keer als de boot op het water neerklapt. Naast me op het bankje zit haar zus, die meegaat als begeleiding. Op haar schoot zit de vier maanden oude baby van de patiënte. Hij slaapt onverstoorbaar door alles heen. Voordat we vertrokken vertelde de zus wat er was voorgevallen: de vrouw was midden in de nacht thuis overvallen door een groep mannen in uniform. Voor de overplaatsing van slachtoffers van gewapend geweld werken we samen met het Internationale Rode Kruis, dat een gespecialiseerd chirurgisch team in de hoofdstad heeft. We zullen eerst een tussenstop maken in Uvira, twee-en-een-half uur varen van Baraka. Daar zal de patiënte voor de nacht in het lokale ziekenhuis verblijven om te stabiliseren. De volgende ochtend zal ze onder de hoede van het Internationale Rode Kruis het tweede deel van de reis maken.

 

Als we na een ruige rit over het water aankomen in Uvira zie ik de Landcruiser met het Rode Kruis logo al staan. Een blanke man zwaait vanaf de kade naar ons. Het blijkt een Duitse medewerker te zijn. Hij helpt ons de patiënte uit de boot te tillen en achter in de Landcruiser te leggen. Ze wordt direct naar het ziekenhuis gebracht. Daar komt ze gelukkig in redelijk stabiele toestand aan. Er wordt meteen een röntgenfoto gemaakt en later hoor ik dat gelukkig het grootste deel van haar rechterlong nog intact is. Ondertussen maken wij ons alweer klaar voor de terugreis, want het is al laat en de strenge regels dicteren dat we voor een bepaalde tijd moeten vertrekken om op een veilig tijdstip thuis te kunnen zijn. Dan word ik gebeld door onze projectcoördinator. Er blijkt een flinke storm te zijn losgebarsten in Baraka. Zij zegt dat het niet veilig is om vandaag nog terug te varen… Met de Rode Kruis medewerker overleg ik of het mogelijk is om op hun compound te overnachten die nacht. Hij heeft er geen enkel probleem mee en zo wordt het geregeld. Die avond lig ik opeens in een vreemd bed op een vreemde compound. De regen klettert op het golfplaten dak boven me, het komt met bakken uit de hemel. De kamer wordt af en toe opgelicht door lichtflitsen die soms wel een halve minuut lijken te duren. Ik zak weg in het matras en slaap als een os.

 

Gelukkig is de storm gaan liggen als ik de volgende ochtend vroeg wakker word. Alweer om 7 uur scheur ik, samen met de twee bootsmannen, over het water. De nog laagstaande zon zorgt voor een prachtige kleurenspiegeling over het magische meer. Terwijl we met volle vaart over de golven stuiteren staar ik in de verte, de wind in m’n gezicht. Af en toe zwaai ik terug naar een visser die vanuit een soort houten kano zijn hand opsteekt. Via mijn oordopjes, die ik nog gauw heb mee gegrist voor vertrek, zingt Jeff Buckley me dramatisch toe. Hallelujah. Het zijn dit soort momenten die ik toch wel heel erg zal gaan missen als ik over een paar maandjes weer in Nederland ben…

 

Twee maanden later komt de vrouw met haar oudere dochter en haar baby terug in het ziekenhuis. Het gaat goed met haar, ze kan alleen geen borstvoeding meer geven en krijgt van ons wekelijks melkpoeder zodat ze haar kind kan voeden. 

 

© Jeroen Oerlemans
Sluit zoeken

Zoekveld