Grijns

afbeelding van Josine Blanksma

Josine Blanksma

tropenarts

Een gewone dinsdagochtend in Baraka. In mijn nu al bezwete AzG t-shirtje loop ik met een snel ontbijt achter de kiezen richting de uitgang van “Mango Base” (de compound waar wij als expats wonen). Bij de radioroom wissel ik de batterij van mijn walkie-talkie, stel hem in op de goede frequentie en haak hem aan mijn heuptasje vast. Hartelijke groeten worden uitgewisseld met de bewakers bij de poort. Of ik “bien reveillée” ben? Ik bevestig dit met een scheve grijns terwijl ik denk aan de uren die ik al achter de rug heb: het lukt me na 6 weken hier nog steeds niet ‘s ochtends door valse moskee-speakers, dwingende kerkklokken, schreeuwend volk op straat en gettoblasters heen te slapen. Met of zonder oordopjes. Gevolg is dat ik meestal rond 5 uur wakker ben en nog een uurtje of 2 naar het van matten geweven plafond van mijn tukul lig te staren voordat ik me eindelijk onder mijn klamboe uit worstel en weer naar het ziekenhuis “mag”.

 

Maar ik heb er zin in vandaag. Als ik over de stoffige zandweg loop, stemt het straatbeeld me vrolijk. Om half acht ‘s ochtends is het al een en al bedrijvigheid in Baraka. Het beeld wordt overheersd door de ontelbare kinderen die overal vandaan lijken te komen en lachend op blote voeten achter elkaar aanrennen, terwijl ze soepel over de kuilen in de straat springen. Serieus kijkende vrouwen in kleurrijke doeken, vervoeren met kaarsrechte rug kilo’s aan goederen op hun hoofd. Jonge meisjes lopen kirrend hand in hand, hun peuterbroertjes en -zusjes achterop de rug geknoopt. Langs de weg staan her en der kleine winkeltjes die losjes in elkaar zijn getimmerd van hout en golfplaten. Overal staan groepen mensen bij elkaar terwijl ze vrolijke gesprekken voeren en hard lachen. Van verschillende kanten klinkt swingende krakerige muziek uit oude geluidsboxen. Af en toe rijdt er een pruttelend brommertje met achterop een halve familie voorbij. Vanonder de golfplaten daken worden telefoonkaarten verkocht of kun je voor een prikkie je telefoon opladen. Op de grond ligt een man te slapen bij op een kleedje waar slippers en tweedehandskleren liggen uitgestald. Daarnaast zit een vrouw op een lage kruk geconcentreerd chapati te bakken op een kerosinepitje. Om haar heen mensen die geduldig wachten op hun ontbijt terwijl ze het nieuws van de dag luidruchtig doornemen. Als mzungu loop ik dwars door het tafereel heen, vaak nagestaard, soms nageroepen of aangeraakt door een brutaal ventje dat toch even zo’n blanke huid in het echt wil voelen, giechelend aangemoedigd door zijn vriendjes aan de kant van de straat.

 

Opeens voel ik dat mijn hand wordt vastgepakt. Naast me loopt een meisje van een jaar of acht in schooluniform. Ze kijkt me niet in de ogen, maar loopt gewichtig met me mee. Ik vraag haar hoe ze heet. Ze vertelt in prachtig Frans dat ze Anastasia heet en dat ze op weg is naar school. Ik knik en vertel dat ik op weg ben naar het ziekenhuis. Samen lopen we zwijgend een eindje op. Dan laat ze ineens mijn hand los en rent weg. Enkele tientallen meters verder draait ze zich lachend om en zwaait. Ik zwaai terug en nog vrolijker dan ik al was huppel ik bijna het laatste stukje naar het ziekenhuis.

 

Eenmaal binnen de poort roep ik, zoals het protocol het voorschrijft, via mijn walkie-talkie Mango Base op om te laten weten dat ik aangekomen ben in het ziekenhuis. Ook met de bewakers hier ga ik weer het vertrouwde begroetingsritueel door. Voordat ik mijn collega’s opzoek loop ik eerst nog even snel een rondje over de Soins Intensifs afdeling. Gisteren had ik daar twee kinderen in ernstige neurologische toestand opgenomen met hersenmalaria. Een van hun, een jongen van een jaar of vijf, werd verzorgd door zijn vader. Gisteren keek die man me nog vertwijfeld en hoopvol aan, terwijl zijn zoon steeds verder het bewustzijn verloor en de epileptische aanvallen zich achter elkaar opvolgden. Ik had er bezorgd bijgestaan en zo snel mogelijk de juiste medicatie en een bloedtransfusie voorgeschreven, want het leek erop dat malariaparasieten hard bezig waren zijn rode bloedcellen af te breken. Daarna had ik een ruggenprik gedaan om een bacteriele hersenvliesontsteking uit te sluiten. Ik durfde de vertwijfelde blik van de vader nauwelijks te beantwoorden. Te vaak heb ik al gezien dat kinderen het niet redden als ze in dit stadium werden binnengebracht.

 

Maar als ik deze ochtend binnenkom zie ik tot mijn grote verbazing dat de jongen rechtop in bed zit en wordt gevoerd met lepels pap. Mijn enthousiaste reactie wordt opgevangen door de vader die me met een enorme grijns aankijkt. Hoewel we niet met elkaar kunnen praten, delen we de opluchting en het moment van overwinning op die verrekte ziekte. Ook het andere patientje, een meisje van drie, is inmiddels uit haar coma ontwaakt en kijkt me met grote heldere ogen aan. Mijn hart maakt een sprongetje. Het is nog maar acht uur ‘s ochtends en m’n dag kan nu al niet meer stuk!

 

Hoe diep soms de dalen soms ook zijn (zie eerdere verhalen), dit zijn de momenten dat ik me realiseer waarom ik er ook alweer voor gekozen had om als tropenarts 9 maanden in de middle of nowhere van Oost-Congo aan de slag te gaan. Momenten dat ik mij besef wat het een enorm voorrecht is om dit prachtige vak hier te mogen uitvoeren..

Sluit zoeken

Zoekveld