Indiana Jones

afbeelding van Josine Blanksma

Josine Blanksma

tropenarts

Het is half vijf ‘s ochtends. Ergens schalt door een krakerige microfoon de eerste oproep tot gebed aan Allah. Het is warm en broeierig onder mijn klamboe, ik sla de deken van me af. Dreigend hoor ik onweergebulder vanuit de verte naderen. Een half uur daarna barst het los. Een tropische storm raast over Baraka. Langs de muren van mijn tukul sijpelen straaltjes water naar beneden en vormen plassen op de betonnen vloer. Het is zo’n dag dat je het liefst binnen blijft, een spannende serie op je laptop kijkt en de rest van de wereld even vergeet. Maar dat kan niet. Het ziekenhuis staat helaas nooit stil.

 

Met enige tegenzin sta ik op, schiet in mijn slippers, grijp een handdoek en waag mij naar buiten. Door de stromende regen loop ik naar het gebouwtje met toiletten en douche. Ik gooi een emmer koud water over me heen, toch altijd weer verfrissend na een klamme nacht! Terwijl ik me aankleed kijk ik weemoedig naar de foto’s waarmee ik mijn hut heb behangen: mooie momenten van afgelopen zomer in Nederland. Steken in mijn maag. Heimwee is een rotgevoel, maar doet je ook weer beseffen hoeveel je om bepaalde mensen geeft en wat echt belangrijk is in het leven. Het is zo cliché, maar het zijn juist die hele normale dingen waar je enorm naar gaat verlangen: lekker bijkletsen met je beste vriendin op de bank, een zaterdagavond lang tafelen met familie, een pittige fietstocht door weer en wind, boottochtjes over de grachten van Amsterdam…

 

Verscholen onder de capuchon van mijn regenjas loop ik even later richting ziekenhuis. Het is opvallend stil op straat, de meeste mensen zitten binnen en wagen zich alleen buiten als het echt moet. De lucht is onheilspellend donker, er is geen spatje blauw te bekennen. Boven het Tanganyikameer flitst het onophoudelijk in repeterend patroon. Vorige week kwamen hier niet ver vandaan nog vijftien koeien om het leven nadat ze door de bliksem waren getroffen. Een angstaanjagende gedachte.

 

Ik loop direct door naar de artsenkamer. Daar vind ik een uitgebluste collega van de nachtdienst. In groen operatietenue hangt hij in z’n stoel. Vannacht heeft hij drie keizersnede’s gedaan, een handvol nieuwe patienten opgenomen en werd hij een aantal keer geroepen voor een reanimatie. Hij vertelt me dat er drie patienten overleden zijn die nacht. Twee patienten ken ik van de zaalvisite gisteren. De ene was een jongen van twee jaar met een gecompliceerde mazeleninfectie, opgenomen in de speciaal daarvoor opgezette tent. Het patientje was de afgelopen dagen langzaam achteruit gedaan en was er gistermiddag al zeer slecht aan toe. Ik was al bang dat hij de nacht niet zou redden… De andere was een veel te vroeg geboren baby van slechts 800 gram. Babies met zo’n laag geboortegewicht hebben een zeer kleine overlevingskans onder de omstandigheden hier. Dit meisje had het bijna twee dagen volgehouden sinds haar geboorte, op zich al vrij uniek. Je koestert altijd hoop dat zo’n mensje het misschien toch gaat redden, ondanks dat je eigenlijk beter weet. Je doet wat je kan, je weet het nooit.. Af en toe zit er een wondertje tussen, het zou niet de eerste keer zijn dat ik dat zie! De derde is een vijfjarige jongen die gisteren werd binnengebracht met hoge koorts en een opgezette buik. Er werd een darmperforatie vermoed, veroorzaakt door een tyfus-infectie. Zijn toestand was helaas te slecht om een operatie te kunnen doorstaan.

 

Die ochtend kijk ik op de polikliniek met de verpleegkundigen mee. Een stikbenauwde man van een jaar of 40 strompelt binnen. Tussen het moeizaam ademen door vertelt hij dat hij astma heeft en dat deze aanval al twee dagen duurt. Ik luister naar zijn longen maar hoor nauwelijks lucht binnenkomen, zijn luchtwegen zitten bijna helemaal dicht. Samen met de verpleegkundige ondersteun ik de man, door de nog alsmaar gietende regen, naar de afdeling Interne Geneeskunde. Als hij geinstalleerd is op het plastic matras en de verpleegkundige de medicatie klaarmaakt, ga ik op zoek naar een zuurstofconcentrator. Ik vind er uiteindelijk een op de TBC afdeling, helemaal in de andere hoek van het ziekenhuisterrein. Met in de ene hand een paraplu en in de andere het zware apparaat hup ik tussen de plassen door. Een aantal moeders schuilen bij elkaar onder het overhellende golfplaten dak van de ondervoedingsafdeling waar de regen als een waterval vanaf dendert. Ze moeten hard lachen als ze die rare blonde dokter met paraplu door de modder voorbij zien springen. Ik grinnik met ze mee. Wat een bizar vak heb ik toch…

 

‘s Middags breekt de zon dan toch door. De sfeer in het stadje is meteen anders: de straten stromen weer vol mensen, uit de gettoblasters schalt Congoleze rumbamuziek en ergens hoor ik Celine Dion uit een autoradio dramatisch de liefde bezingen. Kinderen stampen met blote voeten door de modderplassen. Ik loop in een smoezelig AzG shirtje terug naar de basis.

 

‘s Avonds kijken we met z’n allen Indiana Jones in onze eigen open lucht bioscoop: we sponzen een wit buitenmuurtje af dat dienst doet als projectorscherm, zetten een paar gemakkelijke stoelen neer en leggen matrassen op de grond om volop te genieten van deze zwoele zomeravond in December. Een paar Primus-biertjes worden opengetrokken en verdeeld over de glazen. De sombere ochtend is alweer vergeten…

Sluit zoeken

Zoekveld