© Camille Lepage/Solaris

Open brief VN inzake CAR

Op 12 december 2013 stuurde Artsen zonder Grenzen een open brief aan de VN waarin we onze ernstige zorgen uiten om het onacceptabele optreden van het VN-hulpsysteem in de CAR het afgelopen jaar.

Aan Valerie Amos, sub-secretaris-generaal voor humanitaire zaken en noodhulpcoördinator van de VN

 

Geachte mevrouw Amos,

 

Met deze brief uit Artsen zonder Grenzen haar ernstige zorgen om het onacceptabele optreden van het hulpsysteem van de Verenigde Naties (VN) in de Centraal-Afrikaanse Republiek gedurende het afgelopen jaar.

 

Toen het eerste rebellenoffensief in december 2012 een paar kilometer voor Bangui tot een halt kwam, waren de meeste VN-medewerkers al uit de hoofdstad en andere locaties geëvacueerd. Na de staatsgreep in maart 2013 keerde de VN pas 6 maanden later terug in Bangui, de verlate terugkeer wijtend aan vage zorgen over de veiligheid. Noodhulpdirecteuren van de VN begonnen pas in oktober met hun inschatting. Terwijl de crisis in het land de laatste 3 maanden – en zeer recentelijk in Bangui – in omvang toenam, hebben wij geen enkel bewijs gezien van een adequate humanitaire reactie op de herhaaldelijke uitbraken van geweld. De enige actie die door de VN is ondernomen, is het vergaren van data over de gevechten en enkele inschatting van noden die de noodzaak om onmiddellijke actie bevestigen. Aanhoudende evaluaties en talloze coördinatievergaderingen - terwijl de noden overweldigend en overduidelijk zijn - hebben niet tot concreet handelen geleid op de plekken waar dit het meest nodig is.

 

Nadat de gevechten in Bangui uitbraken, gingen Artsen zonder Grenzen hulpverleners aan de slag in het openbare ziekenhuis. © Camille Lepage/Solaris

 

Twee recente voorbeelden illustreren deze situatie. Artsen zonder Grenzen heeft de VN herhaaldelijk verzocht voedsel, tenten en zeep uit te delen aan de ruim 15.000 vluchtelingen die een veilig heenkomen zochten nabij het vliegveld van Bangui. Hierop kwam geen reactie. In de plaats Bossangoa hielden VN-medewerkers zich schuil op het terrein van Afrikaanse verenigde troepenmacht FOMAC, maar zij verleenden gèèn hulp aan de vluchtelingen die daar ook schuilden. Waarop Artsen zonder Grenzen die hulp bood. Na gevechten in Bossangoa bleven de VN-medewerkers op dit terrein, terwijl 30.000 vluchtelingen in kampen bijeenkwamen en dringend hulp nodig hadden. Artsen zonder Grenzen en hulporganisatie ACF (Action Contre la Faim) zorgden ervoor dat de vluchtelingen noodhulp kregen.

 

De internationale aandacht voor de crisis is de afgelopen maanden toegenomen. Toch hebben de extreme, erbarmelijke leefomstandigheden van tienduizenden mensen rond Bossangoa sinds begin september niet geleid tot het sturen van meer ervaren hulpverleners of tot een gepaste, effectieve noodhulpoperatie. Al maanden is er veel meer hulp nodig voor de vluchtelingen. Zij hebben onder meer water en sanitaire voorzieningen nodig; de wanhopige bevolking krijgt nu nog niet eens het minimum dat nodig is in een noodsituatie. Zo leven de mensen nu van 7,8 liter water per persoon per dag, terwijl 15 tot 20 liter minimaal nodig is. Er is 1 latrine voor elke 166 mensen, terwijl dit 1 voor elke 20 zou moeten zijn. Er zijn zelfs helemaal geen douches.

 

De VN erkent intern slecht humanitair leiderschap, heeft geen concrete acties uitgevoerd en moet haar optreden acuut verbeteren. Toch lijkt zij vast te houden aan haar huidige processen en activiteiten. Ondertussen vinden er tijdverslindende discussies plaats over het ontwerp van een humanitair noodplan (het ‘100 Days Plan’) dat pas op 1 januari 2014 van start zou moeten gaan. Omdat het weken of zelfs maanden zal duren om dat plan uit te rollen, betekent dit dat de uitgeputte en getraumatiseerde bevolking van de Centraal-Afrikaanse Republiek nog langer van hulp van de VN verstoken is.

 

De bedroevende situatie wordt verergerd door zeer verschillende opvattingen over de veiligheidssituatie, tussen VN-hulpagentschappen onderling en tussen Artsen zonder Grenzen en VN-medewerkers die hun beweegreden achter hun extreme risicomijdende analyses niet willen delen. Het feit dat hulporganisaties werden bedreigd, werd zeer vertekend door de VN geïnterpreteerd. Zo zijn VN-medewerkers militaire helmen en kogelvrije vesten gaan dragen in een gebied waar dat niet nodig is, wat onacceptabel is als dit onnodig (!) leidt tot een beperking van de hulp aan mensen die in grote nood verkeren. Hoewel we de risico’s zeker niet willen bagatelliseren, staan de veiligheidsmaatregelen van de VN niet in verhouding tot de realiteit ter plaatse en blijven zij voor VN-hulpagentschappen een reden om een opschaling van hun hulp uit te stellen. Dit totaal gebrek van aansluiting bij hun omgeving schaadt de geloofwaardigheid en nut van de VN-hulpagentschappen en hun partners, brengt toekomstige hulpoperaties in gevaar en heeft een negatieve invloed op pogingen om bescherming en hulp aan de bevolking te bieden.

 

Wij roepen de VN op de humanitaire hulp aan de lijdende bevolking onmiddellijk op te schalen, in én buiten hoofdstad Bangui. We benadrukken nogmaals dat we het ontstellende optreden van het hulpsysteem van de VN betreuren en wijzen op haar verantwoordelijkheid om wezenlijke, effectieve humanitaire actie te ondernemen en te coördineren, te pleiten voor de rechten van mensen in nood en aan duurzame oplossingen voor de huidige crisis te werken. Een intern en onafhankelijk onderzoek bij de VN zou ook overwogen moeten worden om van de gemaakte fouten te leren en deze in de toekomst te voorkomen.

 

Het geven van humanitaire noodhulp omvat risico’s, maar Artsen zonder Grenzen heeft het afgelopen jaar aangetoond dat het opschalen van de hulp met internationale hulpverleners mogelijk is. Er hebben weliswaar verschillende incidenten plaatsgevonden, maar we hebben onze hulpprojecten nooit volledig stil hoeven leggen en hebben onze aanwezigheid in zes conflictgebieden zelfs versterkt. Dat deden we door nieuwe noodprojecten te starten die tot gerichte medische hulpactiviteiten leiden.

 

Ondanks alle inspanningen zijn de noden te groot voor Artsen zonder Grenzen en het kleine gezelschap aan andere competente hulporganisaties. Er is dringend meer hulp nodig en de VN-hulpagentschappen moeten hun aanwezigheid ter plaatse onmiddellijk uitbreiden, te meer omdat vele hulporganisaties afhankelijk zijn van het overkoepelende optreden van de VN.

 

Dr. Joanne Liu

Internationaal voorzitter van Artsen zonder Grenzen

 

cc:

  • Antony Lake, directeur UNICEF
  • Ertharin Cousin, directeur Wereldvoedselorganisatie (WFP)
  • Dr. Margaret Chan, directeur-generaal Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)
  •  Antonio Guterres, hoge commissaris UNHCR
  •  Kevin Kennedy, sub-secretaris voor veiligheid UNDSS
Sluit zoeken

Zoekveld