Meningitis komt vaak in bepaalde gebieden en
seizoenen voor. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is tussen
de 10 en 25% van de wereldbevolking drager van de
meningokokbacterie, maar heeft de overgrote meerderheid de ziekte
niet ontwikkeld (omdat ze gezond genoeg zijn). 9 op elke 10 mensen
die besmet zijn, ontwikkelen antilichamen die hen tegen de ziekte
beschermen. Binnen een periode van 5 – 10 weken na besmetting
kunnen ze wel anderen met de bacterie aansteken.
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie leidt
meningitis wereldwijd tot de dood bij 170.000 mensen en hebben
700.000 mensen in 21 Afrikaanse landen de afgelopen 10 jaar de
ziekte gehad. De overgrote meerderheid van alle mensen die met de
ziekte besmet worden, bevindt zich in een gordel van risicolanden
die zich uitstrekt van Senegal in het westen, tot Ethiopië in het
oosten van Afrika (de zogenaamde meningitis belt). Meestal
gaat het in cycli van 8 tot 10 jaar en duren ze 4 tot 20 weken. De
piek komt doorgaans na 1 maand nadat de epidemische drempel van 5
gevallen op elke 100.000 mensen in de bevolking is overschreden.
Tussen 1995 en 1997 woedde daar de grootste meningitisepidemie
ooit, met meer dan 250.000 besmettingen en 25.000 doden.
In deze zogenaamde 'meningitisgordel' breekt
de ziekte doorgaans uit in perioden van droogte (december tot en
met juni), grofweg elke 8 tot 14 jaar. Het vermoeden bestaat dat de
ontvankelijkheid voor de ziekte tijdens het droogteseizoen toeneemt
vanwege stofwinden en koude nachten waardoor mensen vaker
luchtwegontstekingen opdoen. Als de slijmvliezen in de keel
geïrriteerd raken, is het makkelijker voor de meningokokbacterie om
door te dringen in het lichaam. Ruwweg 300 miljoen mensen lopen het
gevaar om meningitis op te lopen in deze Afrikaanse landen.