Voor zover mijn ogen reiken zie ik in plastic en bamboe opgetrokken hutjes, op heuvels van los zand. Het gebied is immens, 13 vierkante kilometer, 2.000 voetbalvelden groot. Het was deels een natuurreservaat, de olifanten lopen soms nog wat hutten plat. De regering heeft bomen gekapt om plaats te maken voor de 655.000 gevluchte Rohingya’s die een veilig heenkomen zoeken in Bangladesh. Weggejaagd door systematische onderdrukking, afpersing, met een piek aan bruut geweld en moordpartijen in september 2017 in hun thuisland Myanmar.

Vluchtelingenkamp voor Rohingya in Bangladesh | Artsen zonder Grenzen
Het Rohingya-vluchtelingenkamp in het Cox’s Bazaardistrict in Bangladesh is immens: 13 vierkante kilometer groot. Foto: Sara Creta/MSF

Vergrotende trap

Onze teams zijn geshockeerd. We zijn best wel wat gewend bij Artsen zonder Grenzen, maar de verhalen van de vluchtelingen en nu hun verblijf in dit grootste vluchtelingenkamp ter wereld doen pijn. De bevolkingsdichtheid is 49.627 mensen per 1 vierkante kilometer. Ter vergelijking: in Nederland leven we met 507 mensen op 1 vierkante kilometer*. Aan alles is een tekort in het kamp. De latrines die er zijn, gesierd met plakkaten van verschillende hulporganisaties, zijn veelal te ondiep. Als ik een tiental opentrek, blijkt dat het merendeel al overloopt. De inschatting is dat over 2 maanden, als het regenseizoen start, een derde van al deze wc’s niet meer bruikbaar is en er een groot open riool ontstaat. Ook zal de helft van de waterputten niet bruikbaar zijn en zal een derde van de vluchtelingen überhaupt geen toegang meer hebben tot (medische) diensten. Een groot deel van de hutjes op de heuvels zullen weggewassen worden door de regens. Aldus een studie van de Verenigde Naties.

Kroep

Onze klinieken zitten vol met mensen met difterie en mazelen. Difterie, of kroep zoals we dat vroeger noemden, is iets wat je vandaag de dag eigenlijk niet meer ziet. De teams zijn zich aan het voorbereiden op de piek die we in het regenseizoen verwachten. Klinieken, ziekenhuizen, waterputten, wc’s; er wordt de klok rond gewerkt om de vluchtelingen bij te staan.

Artsen zonder Grenzen directeur Nelke Manders loopt door het Kutupalong-vluchtelingenkamp.
Artsen zonder Grenzen directeur Nelke Manders loopt door het Kutupalong-vluchtelingenkamp. Foto: Sara Creta/MSF

Holle blik

Samen met onze assistent humanitaire zaken Zia Uddin en vertaler loop ik door het kamp. Er is maar één toegangsweg, dus vanaf daar moet je lopen. We gaan een hutje binnen. 2 x 2 meter waar ze met zijn zessen wonen. We zitten samen op de grond: de grootmoeder, mijn collega’s en ik. Zij in een smoezelig gewaad met een veiligheidsspeld in plaats van knopen. De kleding waarin ze vier maanden geleden is gevlucht. Ze vertelt hoe stukjes land systematisch over de jaren heen zijn afgenomen, vervolgens haar kippen en geiten. Dat haar dochter is verkracht. Uiteindelijk zijn ze met hun laatste bezittingen gevlucht. En ook die zijn hun afgenomen, bij de checkpoints. Ze vertelt het met een holle blik. Alsof het niet over haar en haar familie gaat.

Nelke Manders op veldbezoek in Bangladesh.
Nelke Manders en Zia Ulledin van Artsen zonder Grenzen in het hutje van de grootmoeder, Kutupalong vluchtelingenkamp.

Vermiste kinderen

Pas als ze me over haar kleinzoon van vijf vertelt, komen de emoties los. Hij is drie dagen geleden gaan spelen in het kamp en is niet meer teruggekomen. Is hij verdwaald in dit doolhof aan hutjes? Zijn moeder zoekt elke dag naar haar kind. De paniek en angst is om het hart geslagen. Mijn collega vertelt me dat we een zestal van dit soort verhalen hebben gehoord. 2 kinderen zijn dood in het bos gevonden. Een broer en zusje hebben zich met verwondingen bij ons in de kliniek gemeld. Ze waren aangesproken door mannen; ze konden voedselbonnen krijgen, maar dan moesten ze met hen mee. In de riksja beseften ze gelukkig dat er iets niet pluis was, en zijn ze eruit gesprongen.

Geen burgerschap

Het doet me pijn dezelfde verhalen te horen die ik in 2002 ook heb gehoord. Toen was ik landencoördinator voor Artsen zonder Grenzen in Bangladesh. Destijds zaten 21.600 gevluchte Rohingya’s er al tien jaar. We hebben een rapport met getuigenissen en een ondervoedingsonderzoek opgesteld en een internationale conferentie georganiseerd. Maar de politieke wil om er wat aan te doen ontbrak. Intussen worden de Rohingya’s nog steeds niet door Myanmar als burger erkend. In plaats daarvan worden ze systematisch gediscrimineerd en krijgen ze golven van geweld over zich heen. Bangladesh wil hen geen vluchtelingenstatus geven en wil dat Myanmar zijn probleem oplost met de Rohingya’s zodat ze terug kunnen. Misschien zijn de Rohingya vrouwen, mannen en kinderen wel het meest schrijnende voorbeeld van mensen die ‘niet bestaan’, niet erkend worden en tussen wal en schip vallen. Al decennia lang.

Met handen en ogen

Een ontspanning komt over het gelaat van de oude vrouw. ‘Het enige waar ik nu blij om ben is dat we hier veilig zijn. En ik hoop dat we hier genoeg blijven krijgen om te overleven.’ Verder heeft zij geen enkel beeld bij de toekomst. We kunnen elkaar niet rechtstreeks verstaan, dus pakken we elkaars handen vast en communiceren we met elkaar met onze ogen. Dan glimlacht ze, breeduit. Ze bedankt me dat ik naar haar wilde luisteren. Ik bedank haar dat ze mij in haar huis heeft uitgenodigd en dit met me wil delen. Het is een emotioneel moment. Voor haar en voor mij.

Medemenselijkheid bieden

Voor mij is dit echt waar Artsen zonder Grenzen in de kern voor staat. Medemenselijkheid bieden aan mensen die tussen wal en schip vallen. Wij zeggen ‘Jij bestaat als mens, je hebt het recht om te leven en we helpen jou om dat op een waardige manier te doen. We geven jou een stem.’ Ik ben dankbaar dat mijn 2.000 Artsen zonder Grenzen collega’s zich uit de naad werken om dat te bieden: met medische hulp, psychologische hulp, door waterpompen en wc’s te bouwen, en door een luisterend oor te bieden. Ikzelf vlieg direct door naar Londen, om in een rondetafeldiscussie met politici, besluitvormers bij de Verenigde Naties en collega-directeuren van hulporganisaties te spreken. Over wat ik heb gehoord en gezien, en om aan te dringen op actie nu terwijl het regenseizoen voor de deur staat als ook op een langetermijnoplossing.

Directeur Artsen zonder Grenzen, Nelke Manders in vluchtelingenkamp in Bangladesh
Onze directeur Nelke Manders reisde af naar Bangladesh om zelf de situatie van de Rohingya-vluchtelingen te zien, én met hen te spreken.

Veerkracht

De veerkracht van de mensen die ik ontmoet is ronduit indrukwekkend. Ik denk aan een vrouw die volslagen getraumatiseerd is. Haar zoon, 23 jaar oud, zei tegen me: ‘We redden het wel, we zorgen dat we er hier iets van gaan maken.’ Ik zie dat er mensen zijn die zich om hen bekommeren. De grote zakenmannen in dat gebied, dat zijn veelal Rohingya’s die jaren geleden al naar Bangladesh zijn gevlucht. Zij kregen in 1992 wél een vluchtelingenstatus, de laatste keer dat Bangladesh die toekende. Zij waren het ook die spontaan hulp kwamen geven toen de massale stroom op gang kwam.

Hoop

Ik hoop met heel mijn hart dat de politici een oplossing voor deze groep mensen vindt. En dat in de tussentijd er geld is en er organisaties zijn die de Rohingya’s bijstaan, een kans geven te (over)leven. Fondsen én de wil tot actie. Ik hoop dat we allemaal menselijkheid tonen.

Nelke Manders was de algemeen directeur van Artsen zonder Grenzen tot in 2021.