De regio Kasai was altijd een relatief vreedzaam gebied in een land dat bekend staat om haar chronische instabiliteit. Dat veranderde in augustus 2016, toen gevechten losbarstten tussen Congolese troepen en milities. De bevolking van Kasai zat er middenin. Nu, ruim een jaar later, zijn de medische en humanitaire noden enorm.

Verstopt in de bossen

Mashanga (58) heeft haar kleinzoon van elf maanden naar een voedingskliniek in de plaats Tshikapa gebracht. Ze komen uit het mijnplaatsje Senge, maar moesten vluchten toen dit werd aangevallen. ‘Het gebeurde ’s nachts. Gewapende mannen gingen van huis naar huis. Ook naar ons huis. Mijn kleinzoon was toen een paar maanden oud. Zijn ouders werden vermoord, maar hij overleefde. Ik nam hem mee de bossen in, waar we drie weken verstopt zaten. Nu leven we in een kerk, met heel veel anderen. Ik heb zulk geweld niet eerder zo meegemaakt.’

Mashanga en haar kleinzoon zijn afgereisd naar de kliniek in Tshikapa, in de regio Kasai in de Democratische Republiek Congo.
Mashanga en haar kleinzoon zijn afgereisd naar de kliniek in Tshikapa. ©Marta Soszynska/MSF

Alles achterlaten

‘Het conflict kwam voor de mensen als een totale verrassing,’ zegt noodhulpcoördinator Jean-Pierre Amigo. ‘In sommige dorpen werden mensen letterlijk van hun bed getrokken. Soms kregen mensen al eerder waarschuwingen en konden ze vluchten voordat hun dorp werd aangevallen. Ze moesten uiteraard wel alles achterlaten.’

We wisten nooit of we eten zouden vinden

Massagraven

Velen hadden geen andere keuze dan weken of maanden in de bossen te leven. Ziektes lagen er continu op de loer, eten was er altijd schaars. Michele (30) probeerde er te overleven met zijn vrouw en dochter. ‘De muggen aten ons zowat op. En we wisten nooit of we wat te eten zouden vinden. Sommige kinderen haalden het niet. Net als veel mensen die ik ken. Mannen, vrouwen en kinderen. Er zijn massagraven met dertig of veertig mensen erin. Nog steeds schuilen heel veel mensen uit angst. We hebben hulp nodig. Als die hulp er niet komt, vrees ik het ergste.’

Schotwond bovenarm Michele
Michele heeft een schotwond in zijn bovenarm. Hij wordt behandeld in een kliniek in Tshikapa, in de regio Kasai. ©Marta Soszynska/MSF

Bloedvlekken in de aarde

‘Het geweld was extreem,’ zegt Amigo. ‘In een dorp waar we waren, zitten de bloedvlekken nog steeds in de aarde. In een ander dorp zagen we kinderen spelen tussen menselijke resten. Nu het geweld is gaan liggen, komen mensen de bossen uit. Sommigen keren terug naar dorpen die volledig zijn afgebrand. Ze hebben niks meer. Terwijl de noden zo enorm groot zijn.’

Op sommige plekken is niets meer

Hopen op wat eten

‘Er is een crisis gaande die door de buitenwereld grotendeels wordt genegeerd,’ stelt medisch coördinator Cruz García zelfs. ‘In plaatsen waar mensen weer enigszins economische activiteiten hebben kunnen oppakken, gaat het wel. Maar op sommige plekken, waar mensen bijvoorbeeld geheel afhankelijk waren van mijnbouw, is niets meer. Juist daar zien we veel ondervoede kinderen. Veel families komen naar onze voedingscentra, in de hoop wat eten te krijgen.’

Crisis in Kasai
‘Er is een crisis gaande in Kasai,’ zegt medisch coördinator Cruz García. ©Marta Soszynska/MSF

Klinieken vernield

Mensen kunnen niet rekenen op het regionale zorgsysteem. Dat was voor deze crisis al fragiel, maar is nu helemaal ingestort. ‘De helft van de klinieken in de regio die we bezochten, is geplunderd, verbrand of vernield,’ zegt García. ‘Sommige zorgverleners proberen hun klinieken weer op te bouwen, maar medicijnen en medische voorraden zijn er niet of nauwelijks meer.’

Kasai verpleegkundige vernielde kliniek
Verpleegkundige Jean-Paul Buana loopt door een vernielde kliniek in het dorp Mavi, in de regio Kasai ©Marta Soszynska/MSF

‘Het is niet juist’

Verpleegkundige Jean-Paul Buana (50) had de leiding over een kliniek in het dorp Mavi Munene. ‘In april kwamen de ergste aanvallen. Toen zijn alle medicijnen meegenomen en is het gebouw in de brand gestoken. De operatiekamer, apotheek, behandelkamers en receptie zijn volledig verwoest. Ik moest huilen toen ik het zag. Het is niet juist. We zorgden er elke maand voor 150 patiënten. Dit is was de enige goede kliniek in een gebied waar 128.000 mensen wonen. Met zes medewerkers pakken het werk nu weer op. Maar we kunnen niet zo veel doen. We hebben te weinig medicijnen en helemaal geen vaccinaties. We hebben steun nodig. De wereld moet Kasai niet vergeten.’